‘Hindoestaans kind volstoppen hoeft niet’

Hindoestaanse kinderen zijn van nature lichter gebouwd dan leeftijdgenoten. Daardoor lijken ze vaak te licht, of zijn ze ongemerkt te zwaar.

In de wijk Transvaal in Den Haag wonen veel Hindoestanen. Foto Hollandse Hoogste

Veel baby’s en peuters van Hindoestaanse Surinamers zijn klein en erg licht. Dat is geen ondervoeding of verwaarlozing. Dat hoort zo, liet jeugdarts Jeroen de Wilde van de GGD in Den Haag eind vorige week zien in een PLOS ONE-publicatie.

Het betekent dat consultatiebureau-artsen de ouders van die kleine kinderen niet langer moeten aansporen hun kinderen meer te laten eten, in een poging de vermeende groeiachterstand in te halen. „Ja, dat gebeurde wel”, zegt De Wilde. Hij gaat nu bij collega-jeugd- en kinderartsen langs met zijn nieuwe gegevens. Die laten zien welke lengte en gewicht normaal zijn voor een Hindoestaans kind van een bepaalde leeftijd. En wanneer ze te zwaar zijn, of juist te licht. Volgens de bestaande Nederlandse normen was wel 1 op de 3 Hindoestaanse kinderen onder de 6 jaar te licht. In werkelijkheid is het maar een paar procent.

De Wilde: „Als ongerust gemaakte ouders die kinderen volstoppen kweek je alleen vetmassa. Dat is wat je niet wilt. En het hoeft ook niet, want de Hindoestanen zijn een etnische groep die lichter is gebouwd, met minder spiermassa en lichtere botten.”

De Surinaamse Hindoestanen die in de jaren zeventig, rond de onafhankelijkheid van Suriname, naar Nederland migreerden streken voor een groot deel neer in Den Haag. Naar schatting 40.000 wonen er nu – 8 à 9 procent van de Haagse bevolking. In totaal wonen er 160.000 à 180.000 Hindoestanen in Nederland.

In de jaren negentig kwam in Nederland de diabetes- en hartziekte-epidemie onder de Surinaamse Hindoestanen aan het licht. Bijna 40 procent van de 60-plussers heeft diabetes type 2. En die overgewichtsziekte begint al vroeg: uit Amsterdams onderzoek bleek dat van de 35- tot 45-jarigen al bijna 20 procent diabetes heeft. De Wilde: „Een derde van hen wist het nog niet, waardoor de kans op complicaties – blind worden en voetproblemen – toeneemt. Het lastige is dat Hindoestanen diabetes soms als een gegeven beschouwen. Ze denken dat er niets tegen te doen is. Dat is niet zo.”

Slank blijven en bewegen, daarmee daalt de kans op diabetes flink. Bij mensen met overgewicht en obesitas stijgt die kans. Al een jaar of tien is bekend dat bij Hindoestanen, en algemener Aziaten, de kans op diabetes al is verhoogd bij een BMI waarbij blanke Nederlanders nog geen gevaar lopen. De BMI (body mass index) is het gewicht in kilo gedeeld door het kwadraat van de lichaamslengte in meter.

Voor iedereen op de wereld, behalve Aziaten, ligt de grens tussen normaal gewicht en overgewicht bij een BMI van 25. Boven de 30 is het obesitas. In 2004 paste de Wereldgezondheidsorganisatie de afkapwaarden al aan voor volwassen Aziaten. Het was een aanpassing aan de hogere vetmassa en de ziekterisico’s die zij daardoor al bij lagere BMI hebben. Overgewicht begint bij een BMI van 23 en obesitas bij 27,5. Indiase medici verlaagden die laatste grens in 2009 zelfs naar 25.

Er waren dus al BMI-waarden voor volwassen Indiërs. Maar bij kinderen verandert de BMI met het ouder worden. Dat komt doordat hun lichaamsverhoudingen veranderen. Baby’s hebben bijvoorbeeld een groot en relatief zwaar hoofd. Kinderen hebben dus andere BMI-afkapwaarden nodig.

De Wilde heeft die opgesteld voor Hindoestaanse kinderen van 2 tot 18 jaar. Het zijn de waarden van normale, in redelijke welstand opgroeiende kinderen. En belangrijk: de gegevens zijn van vóór de overgewichtepidemie die in de jaren tachtig begon. Tegenwoordig valt ‘normale’ groei in Nederland niet meer te meten.

In 2007 werden in het archief van de Haagse GGD meetgegevens van ruim duizend in 1974, 1975 en 1976 in Den Haag geboren Surinaams-Hindoestaanse kinderen gevonden. „Die gegevens hadden al vernietigd moeten zijn”, zegt De Wilde. Het was een gouden vondst die ook internationaal van belang is. Er is namelijk discussie over het blijvend grote aantal ondervoede kinderen in India. Overal waar de welvaart stijgt, vermindert de ondervoeding bij kinderen. Maar niet in India, gemeten volgens de normen van de Wereldgezondheidsorganisatie die voor de hele wereld hetzelfde zijn. Dit Asian enigma is makkelijk op te lossen: die Indiase kinderen zíjn niet ondervoed, maar de WHO-normen passen niet op die Indiase kinderen.

Over de oorzaak van de hogere diabeteskans van Hindoestanen bestaan genetische en omgevingstheorieën. En mengvormen daarvan.

De Wilde: „De Hindoestanen die via Suriname kwamen zijn misschien wel extra sterk aangepast aan bijzondere omstandigheden. Ze vertrokken tussen 1873 en 1916 uit de overbevolkte noordelijke Indiase staten Uttar Pradesh en Bihar waar vaak hongersnood was. Er was in Suriname na de afschaffing van de slavernij in 1863 een nijpend tekort aan arbeidskrachten op de plantages. Op de eerste boten die naar Suriname voeren stierven onderweg heel veel mensen. De mensen die erna wilden vertrekken werden vooraf medisch gekeurd.” Daardoor kwamen alleen mensen in Suriname aan die goed tegen honger en ontbering bestand waren.

Wat de oorzaak ook is: de oplossing is gezondere voeding en meer bewegen. De BMI-curven die De Wilde opstelde komen beschikbaar op alle consultatiebureaus en kunnen worden opgenomen in de ‘groeisoftware’ die artsen gebruiken.