Het busje van de tegencultuur

Echt waar: het klassieke hippiebusje van Volkswagen is nog gewoon nieuw te koop. Eind december rollen in Brazilië de laatste exemplaren van de band. Hoe kwam zo’n primitieve auto aan zo’n lange adem?

Buiten is het december 2013, binnen rond 1970. In Hal 14 van de Anchieta-fabriek in San Bernardo do Campo, onder de rook van São Paulo, bouwt Volkswagen in retrosfeer een legendarisch busje dat 46 jaar geleden debuteerde op de Europese markt. Het wordt er door 750 man op ouderwets ambachtelijke wijze geassembleerd als personenversie mét en als bestelbus zonder zijruiten. De monteurs ogen als sleutelaars in een dorpsgarage. Geen robot te bekennen.

Het is hem echt, de Volkswagen T2. Het hippiebusje dat velen zich herinneren als gedeukte derdehands, met bloemen of een vredesteken op de flanken, bestuurd door langharigen die hem voor een habbekrats overnamen van kleine middenstanders en de PTT. Dit was de bus die de tegencultuur van en naar Woodstock, sit-ins en anti-atoomdemonstraties transporteerde. Hoe is het mogelijk dat hier een oldtimer wordt geproduceerd die in Europa al in 1979 met pensioen ging? Gewoon, omdat VW hem hier goedkoop kon bouwen en in Brazilië minder zwaar aan status, veiligheid en luxe wordt getild. De auto die wij liefkozend Transporter of Bulli noemden, heet er Kombi. Je koopt hem nieuw voor omgerekend 15.000 euro. De afgelopen jaren verkocht Volkswagen Brazilië er nog een kleine 25.000 per jaar.

De wegen in en rond Sao Pãulo zijn vergeven van de busjes, bijna allemaal wit. „Dat is de makkelijkste kleur om bedrijfslogo’s op te plakken”, zegt productieleider Marcos Vinicius Teixeira. De eerste aanblik van de rij bedrijfsklare busjes in de fabriek is zoiets als de ontdekking van levende Egyptenaren in een koningsgraf; je gelooft je ogen niet. Teixeira: „We hadden hier een journalist van The New York Times die als jonge jongen met een T2 van Londen naar India was gereden. Hij was geëmotioneerd.”

Het groepje gasten en liefhebbers dat vandaag de fabriek bezoekt, ook. We zijn uitgenodigd om de grande finale van de Braziliaanse Kombi-saga bij te wonen. Na 1,12 miljoen verkochte exemplaren, bijna eenderde van de wereldwijde T2-productie sinds 1967, rollen deze maand de laatste Braziliaanse T2’s van de band. Vanaf januari 2014 moeten auto’s in Brazilië zijn voorzien van een antiblokkeersysteem en twee airbags. Aan die eis kon of wilde Volkswagen niet voldoen. Er komt geen opvolger. Productie van een later Transporter-model – de T3, de T4 of de huidige T5 – is geen optie. Ze zouden hoe dan ook een veelvoud kosten van de Kombi en die pil ziet VW de plaatselijke markt niet slikken.

Als afscheidscadeau heeft Volkswagen een Last Edition op de markt gebracht, een knuffelbus in zachtblauw met wit dak, snoezige gordijntjes, achterruitverwarming en een plakkaat met het serienummer op het dashboard. Het T2-sentiment leeft blijkbaar zo sterk dat de geplande limited edition van 600 werd verdubbeld. Nummer één is verscheept naar het VW-hoofdkwartier in Wolfsburg, nummer 1.200 gaat naar de Volkswagenfabriek in Hannover, kraamkamer van de oorspronkelijke T2. De laatste ‘gewone’ T2, natuurlijk een witte, blijft als souvenir in San Bernardo.

De T2 slingert alle kanten op

We mogen er mee rijden, tussen aanhalingstekens. De T2 slingert alle kanten op. Je moet beide handen ferm aan het enorme, vlak liggende stuur vastklemmen om hem op koers te houden. Verder valt het Kombi-leed best mee. De belachelijk lange versnellingspook van de vierversnellingsbak blijkt een relatief hanteerbaar instrument. Met de vele tuimel-, schuif- en slingerramen houd je de binnentemperaturen in de aircoloze bus net draaglijk. Het ontbreken van stuurbekrachtiging is geen drama, hij stuurt toch min of meer zelf in.

Verbluffend is hoe weinig VW aan de auto heeft veranderd. Velgen, koplampen, achterlichten en bumpers zijn identiek aan het origineel. Op het licht gemoderniseerde dashboard is alleen de metereenheid met een digitaal display voor klok en kilometerteller een minimale stijlbreuk. Verder is hij kaal als een kerkrat. Naar centrale deurvergrendeling en elektrisch bedienbare ramen kun je fluiten, de buitenspiegels zijn niet van binnenuit verstelbaar, in de zonnekleppen vind je geen make-up-spiegels, de binnenspiegel heeft geen dag/nachtstand en een radio koop je zelf maar. De enige grote ingreep vond plaats in 2005, toen de luchtgekoelde Kever-boxermotor achterin werd vervangen door een watergekoelde viercilinder met 80 pk. Daaraan dankt hij de ontsierende plastic radiatorgrille op de neus – watergekoelde motoren moet je koelen – en een veel acceptabeler geluidsniveau dan die luidruchtig knetterende boxerbussen. De verbeterde prestaties zijn bijzaak. Harder dan 100 zou ik er niet mee durven. De remmen zijn sowieso zozo.

Maar wat een lief ding is het met die schaapachtige ronde oogjes. En wat een roerende gedachte dat het plan voor deze auto door een Nederlander is bedacht.

Nadat hij in 1947 met zijn broer Mijndert de eerste officiële Volkswagen-importeur ter wereld is geworden, bezoekt Ben Pon regelmatig de Volkswagen-fabriek in Wolfsburg. Hij ziet er de Plattenwagen, een rijdende laadbak op een Kever-chassis, met een soort wachthokje voor de bestuurder op het achterplat.

In zijn notitieboekje, nu in het Rijksmuseum, schetst Pon hoe een bestelbusje op dit plateau eruit zou kunnen zien. Volkswagen-directeur Heinrich Nordhoff is geïnteresseerd en in 1950 gaat het busje, de directe voorganger van de T2, onder de officiële typecode T1 in productie.

In de jaren van het wirtschaftswunder slaat de T1 zo machtig aan dat niets Volkswagen ervan weerhoudt met de T2 vast te houden aan Pons succesformule van een doos met grote schuifdeur en de motor achterin. De kentering komt met de introductie van de derde generatie T3 in 1979. Wederom volgens het Pon-recept, maar het Spartaanse puurheidsideaal wordt verlaten. Het busje wordt burgerlijker, groter en luxueuzer. In de T4-Transporter (vanaf 1990) komen de inmiddels watergekoelde motoren voorin te liggen. Sinds 2003 is er de grote T5, die geen alternativo kan betalen en die nimmer het appeal zal krijgen van zijn verre voorgangers.

Er zijn trouwens geen hippies meer, en ook hun busjes landden op het kerkhof. Af en toe zie je nog een lief beschilderde of gerestaureerde T2 rijden; voor een Samba, de felbegeerde T1 met veel raampjes, worden vermogens neergeteld. Maar hun tijd is geweest. Behalve in Brazilië, waar de liefhebbers nog heel lang verder kunnen met hun busjes en hun busjesliefde. De fanclubs hebben ze al.

Busjesmeeting

Op het parkeerterrein van de Anchieta-fabriek hebben twee Braziliaanse Kombi-clubs een busjesmeeting georganiseerd. Ze staan er allemaal: vroege T1’s in concoursstaat, gepimpte T2’s met Porsche-velgen, verlopen roestbussen, een handvol kampeerbusjes. De mooiste is de roodwitte van José Alvarez, met zijn vrouw Ivanete eigenaar van een camper op T2-basis waarmee ze heel Zuid-Amerika hebben doorkruist. „Mijn eerste T2 kocht ik vijftien jaar geleden. Daarna had ik campers op Mercedes-chassis, maar zes jaar geleden kocht ik weer een VW, want dit is de beste. Goedkoop, makkelijk in onderhoud, prettig om in te rijden. Overal in Zuid-Amerika vind je onderdelen en monteurs.”

Ik mis de hippies. Tot ik oog in oog sta met Dave Panton uit Arizona. Eerst denk ik dat hij acteur is, een figurant van een castingbureau. Maar hij is zo echt als de splinternieuwe T2’s in San Bernardo. Baard, lang haar met haarband, bermuda, veelkleurige grunge-bus met wifi en zonnepanelen. Op wereldreis zeker? „Well, uhh, yeah man.” Waarom deze? „Mijn zeilboot zonk en van het verzekeringsgeld dat ik opstreek, 5000 dollar, kon ik op eBay deze kopen.” Net zo toevallig raakte hij in Brazilië verzeild. „Ik zat in het noorden van Uruguay toen ik hoorde dat er iets stond te gebeuren.” En dus mocht hij op deze happening niet ontbreken, want hij houdt van zijn auto, al is zijn einddoel Europa. „Mag ik daar trouwens nog rijden?” Ik schat zijn wrak ogende bus en raad hem dringend aan de Autobahn te mijden. Wedervraag: mag ik hem fotograferen? „Yeah man.”

    • Bas van Putten