Verlamd en geniaal leeft Hawking iedere dag alsof ’t zijn laatste is

Als je alleen kunt communiceren via een spraakcomputer, houd je je verhaal waarschijnlijk vanzelf kort. Het verklaart vast voor een deel de onopgesmukte en directe stijl die de beroemde fysicus en kosmoloog Stephen Hawking, uit 1942, in zijn biografie hanteert.

Die spraakcomputer was een zegen, schrijft Hawking. Toen hij als gevolg van de spierziekte ALS zijn stem verloor, kon hij aanvankelijk alleen communiceren door woorden letter voor letter te spellen. Hij trok dan zijn wenkbrauwen op als mensen de juiste letter aanwezen op een letterbord. ‘En het is nogal lastig om zo een gesprek te voeren, laat staan om een wetenschappelijk artikel te schrijven’, constateert hij laconiek.

Intussen staat bij de meeste mensen het beeld van Hawking mét die elektronische stem en scheefgezakt in zijn rolstoel, zozeer op het netvlies dat de jeugdfoto’s voorin Mijn klein geschiedenis bijna schokken, roeren.

Ze tonen een kleine jongen met grote oren en een open gezicht, een slungelige student met een grote bril en een wat deftige jongeman, met witte hoed, tussen vrienden bij de Boat Club van Oxford University.

Daar, op die universiteit waar het usance was om slechts één uur per dag de studieboeken in te kijken, voerde Hawking weinig uit. Het wiskundeonderwijs was er minimaal, en dat vond hij wel genoeg. Feiten leren was al helemaal niets voor hem.

Alles veranderde toen artsen tijdens zijn promotieonderzoek in Cambridge die ongeneeslijke ziekte ALS bij Hawking constateerden. ‘Wanneer je geconfronteerd wordt met de kans op een vroege dood ga je beseffen dat het leven de moeite waard is en dat er een heleboel dingen zijn die je wilt doen’, schrijft hij. En na een korte crisis met Wagner, drank en depressie, concentreerde hij zich verder dus op de zaken die er volgens hem toe doen: de natuurkunde en de kosmologie in de eerste plaats.

Slechts in één kort hoofdstuk – over zijn eerste lange huwelijk met Jane Wilde met wie hij drie kinderen kreeg en zijn tweede kortere huwelijk met zijn verpleegster Elaine Manson – blijkt iets van de wissel die Hawkings ziekte op relaties moet hebben getrokken en soms toch ook op zijn gemoed. Maar verder kenmerkt Hawking’s toon zich door een mengeling van naïeve jongensachtigheid, milde ironie en een hang naar avontuur.

Als nog fitte student trekt hij door Turkije en Iran en maakt een zware aardbeving mee. Vanuit zijn rolstoel begeeft hij zich op de exotische en spectaculaire terreinen van de fysica. Wanneer Hawking over ruimtetijd en quantummechanica schrijft, begint hij met tijdreizen. Of met weddenschappen om een abonnement op de Penthouse.

Voor de wetenschap hoeft de lezer dit boek overigens niet per se aan te schaffen. Hawking’s werk is ontegenzeggelijk heel belangrijk voor de fysica, maar hij beschrijft het geregeld zo summier dat zelfs een enigszins ervaren fysicus en met name in de Nederlandse vertaling, soms zit te puzzelen op wat hij bedoelt.

Zijn levensbeschrijving is om een andere reden van waarde: als ode aan de menselijke veerkracht. Hawking die op zijn 21e dacht nog maar even te mogen leven, kreeg drie kinderen, bouwde een jaloersmakende carrière op, schreef een bestseller die – zijn grote wens – op elk vliegveld te koop was en bezocht alle continenten, behalve Australië, maar inclusief Antarctica.

Hij voer in een onderzeeër, steeg op in een heteluchtballon, ervoer gewichtsloosheid tijdens een paraboolvlucht, en staat nog steeds op de lijst voor ruimtereizen met de Virgin Galactic. ‘Ik heb een rijk en bevredigend leven gehad’, schrijft hij. Inspirerend!

Margriet van der Heijden

    • Margriet van der Heijden