Variaties op een grote boze wolf

Verschillende varianten van sprookjesverhalen stammen mogelijk af van één oersprookje. De stamboom van Roodkapje heeft drie grote vertakkingen.

Roodkapje in een Nederlands prentenboek uit 1868, naar het origineel van Charles Perrault. Foto Het Geheugen van Nederland

Van de sprookjes ‘Roodkapje’ en ‘De Wolf en de Zeven Geitjes’ bestaan binnen Europa vele uiteenlopende versies. En ook in Afrika en Azië zijn er veel nabije en verre verwanten van deze verhalen opgetekend. Sommige daarvan lijken elementen van beide boze-wolf-sprookjes met elkaar te combineren.

De Britse antropoloog Jamshid Tehrani heeft nu met behulp van statistische methoden uit de genetische biologie een stamboom van boze-wolf-sprookjes samengesteld (PLOS ONE, 13 november). Die laat heel mooi zien hoe de verhalen over de boze wolf (die soms ook een tijger of een menseneter kan zijn) zich over de continenten hebben verspreid. Daarbij hebben die verhalen zich telkens aangepast aan de lokale cultuur.

Er zijn heel veel kleine en grote verschillen tussen al die varianten. De slachtoffertjes van de wolf (kinderen of jonge dieren) weten soms te ontsnappen, en worden soms opgegeten. Soms wordt de buik van de boosdoener daarna opengesneden en dan komen de slachtoffertjes er levend weer uit – zoals in de beroemde versie van de gebroeders Grimm. In sommige varianten blijkt de grootmoeder een weerwolf te zijn en verandert zij dus zélf in een wolf. In China is de boosdoener geen wolf maar een tijger, en in India bestaat zelfs een versie met een kraai (de boosdoener) en jonge musjes (de slachtoffertjes).

Er zijn veel versies waarin de wolf de slachtoffertjes opzoekt in hun eigen huis. Dat is ook het geval in de bekendste versie van De Wolf en de Zeven Geitjes. Moeder geit gaat daarin van huis en waarschuwt haar kinderen dat ze voor niemand open mogen doen. De wolf komt en probeert binnen te komen door net te doen alsof hij de moeder is. ‘Roodkapje’ en ‘De Wolf en de Zeven Geitjes’ hebben nogal wat motieven met elkaar gemeen, en daarom wordt wel eens gedacht dat ze allebei afstammen van een en hetzelfde ‘oersprookje’.

Plot-elementen en motieven

Jamshid Tehrani selecteerde 58 varianten van het boze-wolf-sprookje, verspreid over drie continenten, en keek daarin naar 72 cruciale plotelementen en motieven. Ging het om een groep slachtoffertjes of om één individueel slachtoffertje? Was de boosdoener een wolf, een tijger, een kraai of een menseneter? Welke trucs werden door de boosdoener gebruikt? Etcetera.

Het antwoord op elke vraag leverde een cijfer op. Een groep slachtoffertjes betekende bijvoorbeeld een ‘1’, een individueel slachtoffer een ‘2’. Zo ontstond er voor iedere versie van het verhaal een code van 72 cijfers.

Die codes lijken een beetje op DNA-profielen. Je kun daar biologisch-genetische software op loslaten: je vraagt de computer dan om op basis van die gegevens de meest waarschijnlijke stamboom van boze-wolf-sprookjes te tekenen.

Wat er in de loop der tijd met een verhaal gebeurt, kun je immers goed vergelijken met wat er, tijdens de evolutie, met organismen gebeurt. Zoals organismen zich (evolutionair) aanpassen aan hun omgeving, zo doen verhalen dat ook: ze passen zich aan aan de lokale omstandigheden. Ze veranderen, er worden dingen aan toegevoegd, er gaan dingen verloren...

In dit geval tekende de computer een boom met drie vertakkingen: er zijn wereldwijd dus drie grote clusters verhalen rondom het basisthema van de boze wolf. Een van die clusters zijn de Roodkapje-achtige verhalen in Europa.

Theo Meder, volksverhalenspecialist bij het Meertens Instituut, is erg te spreken over deze analyse. Het ziet er vrij geloofwaardig uit, vindt hij. In het Europese cluster is de canonieke versie van Roodkapje (in 1697 door Charles Perrault gepubliceerd) een heel recente tak.

Meder: „Ik had verwacht dat het in deze computeranalyse misschien mis zou gaan met de veel oudere versies van het verhaal, zoals een 11de-eeuwse versie uit Luik. Maar die zit er heel acceptabel in: als een voorloper van het huidige Roodkapje-verhaal.”

In dat 11de-eeuwse verhaal krijgt een klein meisje als ze gedoopt wordt van haar peetvader een rood jurkje. Als ze vijf is loopt ze rond in dat jurkje en komt ze de wolf tegen. Die neemt haar mee naar zijn hol en laat haar bij zijn jongen achter. De jonge wolfjes mogen haar opeten, maar dat doen ze niet. Ze beginnen het meisje juist te aaien, en dat komt doordat ze beschermd wordt door haar rode jurkje.

Meder: „Duidelijk een middeleeuws exempel, met als boodschap: zorg dat je gedoopt bent, dan word je door God beschermd. Dat staat zo ver af van Roodkapje, dat we ons altijd afvroegen: moeten we dat nog wel als een voorloper van Roodkapje beschouwen? Deze computeranalyse maakt aannemelijk dat dat wel degelijk het geval is.”

Rauwe en seksuele varianten

Interessant is ook dat er in dat Europese cluster nog een paar andere varianten zijn die als nóg ouder worden aangemerkt: mondelinge verhalen die de afgelopen twee eeuwen zijn opgetekend in Italië en Frankrijk. Meder: „Dat zijn erg rauwe en seksuele varianten. De wolf laat het meisje daarin het vlees en bloed van haar grootmoeder eten en drinken. Daarmee wordt zij als het ware zijn partner in crime. Ook weet hij haar over te halen om naakt bij hem in bed te gaan liggen. Hij zegt: Je hebt je jasje niet meer nodig, gooi maar weg. Je hebt je bloesje niet meer nodig, gooi maar weg. Etcetera.”

De Europese versies van ‘De Wolf en de Zeven Geitjes’ vormen samen met alle Afrikaanse verhalen een tweede cluster. Een voorbeeld van zo’n Afrikaans verhaal is een sprookje waarin een meisje door een menseneter om de tuin wordt geleidt: hij bootst de stem van haar broer na. Het meisje wordt opgegeten. Later wordt de buik van de menseneter opengesneden en komt het meisje levend weer tevoorschijn. De computeranalyse laat volgens onderzoeker Tehrani zien dat ‘Roodkapje’ en ‘De Wolf en de Zeven Geitjes’ verhaaltypen zijn die waarschijnlijk onafhankelijk van elkaar ontstaan zijn.

Hybride verhalen

Het derde en laatste cluster bestaat uit de Oost-Aziatische verhalen (China, Japan, Korea): dat zijn ‘hybride’ verhalen die elementen van ‘Roodkapje’ en ‘De Wolf en de Zeven Geitjes’ met elkaar combineren. Zoals een sprookje over een groepje kinderen dat bij een tijger in bed gaat liggen, omdat ze denken dat dat hun grootmoeder is.

„Sprookjes kunnen heel makkelijk elementen van andere sprookjes overnemen,” zegt Theo Meder. „Daarin zijn deze sprookjes geen bijzonder geval.” ‘Roodkapje’ en ‘De Wolf en de Zeven Geitjes’ hebben zoveel met elkaar gemeen dat ze zich in Oost-Azië gemakkelijk met elkaar konden vermengen.

Waarom zijn die boze-wolf-verhalen zo succesvol? Meder: „Ze raken aan elementaire angsten. Angst voor de boze buitenwereld, waar kleine kinderen voor op moeten passen. Kinderlokkers, pedofielen. Het zijn kindersprookjes: ze worden door volwassenen aan kinderen verteld om ze te laten schrikken en om ze te waarschuwen.”

Hoewel de stamboom van Tehrani ophoudt bij de Roodkapje-versies van Perrault en Grimm, heeft het verhaal over Roodkapje zich daarna nog verder ontwikkeld. Theo Meder verzamelt ook die recente en hedendaagse verhalen. De 21ste-eeuwse varianten op het sprookje van Roodkapje zijn meestal moppen. Zoals deze, die Meder op het internet aantrof: „Roodkapje loopt door het bos en komt de wolf tegen. Zegt de wolf: ‘Waar ga jij naartoe?’ Zegt Roodkapje: ‘Naar de jager, voor een wip.’ Zegt de wolf: ‘Tsjemig, wat zijn die sprookjes veranderd.”

Meer hedendaagse varianten zijn te vinden op www.verhalenbank.nl.

    • Berthold van Maris