Taalproblemen

1733

Moeten we een woord van het jaar hebben? Dat is een vraag waarop geen zinnig antwoord kan worden gegeven. Het loopt tegen het einde van het jaar en dan wordt bekend dat we zo’n woord hebben. Deze keer is het, zoals iedereen weet: selfie. Je houdt je digitale camera voor je gezicht, drukt op het knopje en je hebt een selfie gemaakt. Eerlijk gezegd, ik vind het een slap woord. Een beetje lullig. Maar daarmee beledig ik de 22.000 mensen die in de volkomen democratische verkiezingen van woordenboekenuitgever Van Dale dit resultaat hebben bereikt. En misschien hebben ze wel gelijk. Best mogelijk dat het een lullig woord is, maar het is ook het woord van het jaar, dat wil zeggen het meest kenmerkend voor de 365 dagen die we binnen twee weken achter ons hebben gelaten. De geest van de tijd.

Sinds 2003 kiezen we het woord van het jaar. De Wikipedia heeft ze allemaal. Sommige hebben een historische waarde. Het eerste woord dat gekozen werd was opleuken, iets met fratsen en franjes nog leuker maken dan het al is. Eindelijk een goed woord voor een hebbelijkheid die toen al tot gewoonte was geworden. In 2007 werd het bokitoproof, geïnspireerd op een grote aap die Bokito heette. Hij was in diergaarde Blijdorp uit zijn kooi gebroken en had een dame zwaar verwond nadat ze ongewenste toenadering had gezocht. Zelfs The New York Times maakte er melding van. In 2008: swaffelen. Een jongen die met zijn geslachtsdeel tegen iets begerenswaardigs slaat. In 2009: zeilmeisje. Laura Dekker (15) wilde in haar eentje rond de wereld zeilen. Haar ouders vonden het goed, en ze vertrok, tot diepe nationale verontwaardiging. Het is goed afgelopen en er is een boek over haar verschenen.

Misschien zijn er uitzonderingen maar de meeste woorden van het jaar zullen het volgend jaar niet halen. Eerder zijn het rimpelingen in de ontwikkeling van de taal. Ik heb andere stokpaardjes. Een paar jaar geleden ontdekte de taalkundige Jan Stroop het wauwelwoord, de betekenisloze toevoeging waaraan steeds meer mensen verslaafd raken.

Een goed voorbeeld is zeg maar. In de oorspronkelijke betekenis werd het gebruikt om aan te geven dat men iets niet nauwkeurig wist en zich daarom bepaalde tot een schatting. Dit ding weegt zeg maar een kilo of twintig. Intussen is het, zeg maar, tot een willekeurig tussenwerpsel geworden. Hoe komt het dat het zo populair is geworden? Mij een raadsel.

Er is een andere categorie die aan het wauwelwoord verwant is, maar die je ook als een verborgen commentaar kunt beschouwen. Een sterk voorbeeld vind ik maar liefst. Ajax scoorde maar liefst negen één tegen PSV, zegt de sportnieuwslezer op de televisie. Die toevoeging kan allerlei betekenissen hebben. Had het niet wat kalmer aan gekund? Deze deskundige is nog niet helemaal bijgekomen van zijn verbazing en daarvan wil hij zijn publiek deelgenoot maken. In ieder geval komt het erop neer dat hij een eenvoudig melden van negen-één niet voldoende vindt.

Nog een voorbeeld uit dezelfde categorie. Dit bedrijf ging de laatste jaren alleen maar achteruit. Volgens mij impliceert dit, dat er meer mogelijkheden zijn: dat het tegelijkertijd vooruit en achteruit zou kunnen gaan. Of dat de periode van neergang af en toe door een periode van voorspoed was onderbroken. Dit laatste wordt niet bedoeld en daarom hoort alleen maar tot de wauweluitdrukkingen.

En dan nog een kant van het vraagstuk waarover langzamerhand zoveel is afgeouwehoerd dat ik me geneer, het nog eens te berde te brengen, maar het moet. Het dagelijks toenemende aantal Engelse woorden in het Nederlandse spraakgebruik. Af en toe wissel ik met mijn meelpèl de laatste vondsten uit. Daarbij gaat het om de wezenloosheid waarmee een goed Nederlands woord klakkeloos door een Engels wordt vervangen. Uhword in plaats van prijs, geen kunst maar aart, impèkt in plaats van uitwerking, geen uitverkoop maar seel. We zouden er langzamerhand een woordenboekje van kunnen maken.

Vroeger (dat woord wil ik nooit meer gebruiken, maar soms is het onvermijdelijk) hadden veel kranten hun taalzuiveraars. In de NRC was het de columnist J.L.Heldring die van tijd tot tijd een lijstje met gruwelijkheden publiceerde tot hij onverwacht liet weten dat hij er genoeg van had. In De Groene Amsterdammer had je Charivarius, schuilnaam van Gerard Nolst Trenité (1870-1946) met zijn populaire taalrubriek. Zulke zuiveraars zijn er nog wel, Kees van Kooten bijvoorbeeld, maar aan de andere kant hebben we een staatssecretaris die het Engels als vak op de lagere school wil invoeren.

Niet doen. Verreweg de meeste mensen leren maar één taal goed en grondig, tot in de vezels van hun hersens en dat is hun moerstaal. Ik weet het uit ervaring – ik heb langer dan een jaar bij een Amerikaanse krant gewerkt, de Johnstown Tribune Democrat. De hoofdredacteur had een zoontje van een jaar of vier. Ik was jaloers op de manier waarop dat kereltje Engels sprak.