Op Harvard lopen veel ongelukkige mensen rond

Hij werd de baas van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, maar bleef ook kankeronderzoek doen. „Anders was het een ramp geworden.”

„Uiteindelijk ben ik toch gewoon het liefst die wetenschapper in het lab. Ik wil ontdekkingen doen.” Foto Andreas Terlaak

Hans Clevers (56) is een van de meest succesvolle kankeronderzoekers in Nederland. Maar dat zou je niet zeggen als je hem aan het werk ziet in zijn laboratorium in Utrecht. Hij haalt snel koffie, en praat intussen met een van zijn promovendi. Hij schiet nog even een kamer binnen om onder een microscoop wat cellen te bekijken. Oh ja, het interview.

„Als je mij ziet werken denk je waarschijnlijk dat er op het eind van de dag niets gebeurd kan zijn”, vertelt hij in zijn opvallend opgeruimde werkkamer. „Het lijkt totaal gefragmenteerd. Het ene moment beantwoord ik een e-mail, halverwege stap ik over op een artikel dat ik nog moet schrijven, en een minuut later schiet ik naar iemand toe die ik nog iets wil vertellen. Zo is het al van jongs af aan. Vroeger zat ik voor de tv woordjes te leren, met een bord eten op schoot, terwijl ik praatte met mijn broers.”

Is dat voor uw medewerkers op uw laboratorium niet om gek van te worden?

„Toen ik mijn lab begon, en er nog maar vier mensen werkten, wel. Maar nu heb ik er steeds een stuk of 25, ze zien mij net weinig genoeg om het draaglijk te laten zijn.”

Clevers is sinds juni 2012 president van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. Hij werd daarmee het gezicht van wetenschappelijk Nederland. Daarom liepen we dit jaar met hem mee. Er waren vier ontmoetingen – twee in Utrecht en twee in het KNAW-gebouw in Amsterdam. Clevers blijkt een nuchtere Brabander. Opgewekt en recht door zee.

Naast zijn presidentschap blijft hij onderzoek doen. En hoe. Clevers publiceerde de afgelopen anderhalf jaar meer artikelen dan ooit tevoren. In het ene wetenschappelijke toptijdschrift na het andere. Aan het begin van het jaar ontving hij een grote Amerikaanse prijs (2,2 miljoen euro) voor zijn onderzoek naar het ontstaan van darmkanker. Vorige maand kwam daar nog een grote subsidie bij van 6 miljoen euro. „Vergeet niet dat mijn lab jaarlijks 2,5 miljoen euro omzet”, zegt Clevers.

Hij moest ook nog onder het mes, begin juni, voor een tweede heupprothese. Dit keer was het zijn rechterheup. „Ik heb mijn revalidatie zelf gedaan. Af en toe eens een trap op en af lopen. Fietsen. Wandelen in de Alpen.”

Tien dagen na die operatie zat hij alweer bij Nieuwsuur. Schuivend en zwetend op zijn stoel. „Mijn heup deed nog aardig pijn.” Hem was gevraagd uit te leggen of het klopte wat de directeur van het Nederlands Kanker Instituut had beweerd. Dat 90 procent van alle vormen van kanker over 20 jaar een chronische ziekte is. Clevers nuanceerde het. We weten steeds meer, maar de meeste vormen van kanker blijven voorlopig lastig te behandelen.

Was de KNAW een grote overgang voor u?

„De eerste negen maanden waren fysiek een dieptepunt. Ik had nog een overvolle reisagenda voor mijn onderzoekswerk. De KNAW kwam daar bovenop. Wat me gered heeft is juist dat snelle schakelen in mijn hoofd. Van mijn labwerk naar de KNAW, naar politiek Den Haag, en weer naar het lab. Anders was het een ramp geworden.

„In het lab ben ik degene die alles uitzet. De functie bij de KNAW is heel anders. Er zijn eindeloos veel stakeholders waar je geen controle over hebt. Voor mij is het veel moeilijker op dat veld te schakelen. Ik kan bijvoorbeeld naar Den Haag gaan en zeggen dat er meer geld moet komen voor onderzoek, maar daar komen honderdduizend mensen om geld vragen. Je bent een van de vele.”

U volgde bij de KNAW theoretisch natuurkundige Robbert Dijkgraaf op, die veel op tv verscheen. Hoe was dat?

„Robbert is erg naar buiten gericht. Hij heeft voor de wetenschap de toegang tot Den Haag geschapen. Hij kon echt een ambassadeur zijn. Daar floreerde hij in. Hij hoefde aan het eind van de dag niet per se een hard resultaat op tafel te hebben. Dat heb ik toch minder. Ik pak dingen op waarvan ik weet: dit krijg ik af. Iets tastbaars.

Zoals?

„Ik heb er voor gezorgd dat de Akademie van Kunsten er komt, een plek waar kunstenaars kunnen discussiëren met wetenschappers over de relatie tussen kunst en wetenschap.”

Is die er?

„We tasten allebei in het duister, op zoek naar meer begrip van de wereld.”

Maar uw vakgebied, de biologie, is toch niet zo duister?

„We zijn op zoek naar algemeenheden, maar ik kom er steeds meer achter dat die er in de biologie weinig zijn. Het is een vergaarbak van unieke zaken, net als de individuele levens van mensen. Als de evolutie voor iets een oplossing moet verzinnen, kan ze duizend wegen kiezen. Of dat dan oplossing 23 of 980 is, ontstaat bij toeval. Vaak is het niet eens de beste oplossing.”

Hans Clevers groeide op in Son en Breugel. In dat dorp streken toen vooral welgestelde gezinnen neer. Zijn vader was directeur bij een dochterbedrijf van Philips dat onder meer lasrobots verkocht. Hans was de tweede van vier zoons. Hij had toen al een onrustige geest. „Ik hield alles maar drie, vier maanden vol. Dan wist ik er wel zo’n beetje alles van.” Hij had een eigen scheikundelaboratorium, een donkere kamer voor zijn fotografie, hij ving kikkervisjes, spaarde mineralen, sleutelhangers, postzegels. Hij sportte veel. Tennis, hockey. En hij las onwaarschijnlijk veel. „Ik had een vreselijke nerd kunnen zijn. Ik denk niet dat ik het was”, zegt hij. „Er waren hoogbegaafde kinderen om me heen waar ik écht ontzag voor had. Eén knul rekende in de gymzaal zo uit dat een van de manen van Jupiter hol was. Mijn brein heeft dat Robbert Dijkgraaf-achtige abstractieniveau niet. Bij mij werkt het veel associatiever. Het is als een landschap waar voortdurend dingen omhoog komen. Daartussen probeer ik dan verbanden te leggen.”

Na zijn studie biologie en geneeskunde in Utrecht ging hij voor drie jaar naar Amerika, naar Harvard, waar hij zich specialiseerde in moleculaire biologie.

Hoe was Amerika?

„Op Harvard lopen veel ongelukkige mensen rond. De cultuur is hard. Er is wantrouwen. Je gaat je onderzoeksresultaten echt niet delen, anders gaat iemand anders misschien met het succes aan de haal. Er is veel paranoia.”

Is dat in Nederland anders?

„In mijn lab staan de aio’s ’s avonds laat nog wel eens samen kroketten te bakken. Het is vriendschappelijker. Ik let er erg op dat resultaten worden gedeeld. Alles is voor het hele lab. Met name Aziaten moet ik nog wel eens op hun donder geven omdat ze dingen voor zich houden.

„Ik bepaal wie het meest heeft bijgedragen aan een onderzoek, en wie dus eerste, tweede, derde auteur van een artikel wordt. Voor de carrière van aio’s en post-doc’s kan dat veel uitmaken. Artikelen die naar toptijdschriften zoals Nature of Science gaan, schrijf ik zelf. Ik weet wat de tijdschriften verwachten. Het luistert nauw. Voor een titel heb je 102 karakters. Het moet inhoudelijk kloppen, maar ook spannend zijn.”

Hoe vinden uw medewerkers dat?

„Ze zijn het er niet altijd mee eens. Maar bij het proefschrift geef ik ze meer vrijheid. Dat is hun speeltuin. Ik krijg van buiten ook wel eens te horen dat ik er te strak bovenop zit. Maar ik ben degene die het onderzoeksgeld bij elkaar heeft gekregen. Ik heb een lijn in mijn hoofd. De onderzoeken vormen een verhaal.”

Heeft u dan een visie voor uw onderzoek, een droom?

„Nee, dat ook weer niet. Het is in mijn vak heel moeilijk om te zeggen: ik moet over zes jaar een therapie tegen darmkanker hebben. Ik hoop significante dingen bij te dragen aan de wetenschap. En dan niet kleinere details, maar liefst grotere brokken.”

Vorige maand riepen vier ‘rebellen’ op tot een revisie van het wetenschappelijk systeem. Er zitten in hun ogen te veel perverse prikkels en fouten in. Waar staat u?

„Ze noemen onder meer de hoge publicatiedruk. Die is er, maar alleen bij promovendi en post-doc’s. Die vechten voor een beperkt aantal vaste aanstellingen. Voor hen is het twee, drie jaar erop of eronder. Bij het gevestigde systeem zie ik totaal geen druk.

„Het klopt ook dat er een disbalans is ontstaan tussen onderzoek en onderwijs. Je maakt carrière met publicaties, dus met onderzoek. Wie wil dan nog onderwijs geven? Kijk naar mij. Toen ik 34 was heb ik bedongen dat ik geen college hoefde te geven, want ik wilde mijn wetenschappelijke carrière vormgeven. Daar lijdt het onderwijs onder. Ik denk dat je mensen zoals mij zou moeten verplichten college te geven.”

En kiest u liever voor het bestuur of voor het onderzoek?

„Uiteindelijk ben ik toch gewoon het liefst die wetenschapper in het lab. Daar kan ik het verschil maken. Ik wil ontdekkingen doen. Uitzoeken hoe iets zit. Dat gevoel alsof je duwt en duwt tegen een muur, en opeens er doorheen breekt. Voor je opent zich een grote vlakte waar je in kunt trekken. Eén probleem is zojuist veranderd in duizend kansen.”

    • Marcel aan de Brugh