Onrustig Azië toont kloof tussen China en de rest

De economische groei in Azië is ongelijk verdeeld en gaat gepaard met politieke onrust. Aziëkenner Jonathan Holslag over hoe China verschilt van de andere landen en wat daarvan de betekenis is.

Honderdduizenden Filippijnse burgers op de barricades tegen de corruptie van de overheid, een miljoen Indonesiërs gemobiliseerd tegen de lage lonen, gewelddadige stakingen door Cambodjaanse textielwerkers, stakende oliewerkers in Kazachstan.

Het oproer in Azië dwingt ons twee belangrijke zaken onder ogen te zien: de enorme kloof tussen verwachtingen en realiteit en het grote verschil tussen China en de rest van Azië.

Bij groei hoort onrust. Het is de rusteloosheid onder de bevolking die de groei aandrijft en het is de groei die deze drukte in stand houd. In ontwikkelingslanden draagt vooral de verstedelijking daaraan bij: in Azië breiden steden zich met vijftien miljoen mensen per jaar uit.

Dat creëert gigantische reservoirs aan economisch potentieel én verwachtingen. In de steden worden de paupers immers geconfronteerd met de opzichtige uitingen van welvaart – billboards die boven de sloppenwijken uittornen, glimmende terreinwagens die zich een weg langs het blotevoetenproletariaat banen. Zolang de indruk van beterschap blijft bestaan, klokt en raast die massa voort.

Toch wordt die beterschap steeds meer in twijfel getrokken. Ten eerste heeft de groei te weinig banen opgeleverd. Sinds 1990 zet Azië een gemiddelde jaarlijkse groei neer van bijna 4 procent, terwijl de werkgelegenheid jaarlijks met slechts 1 procent stijgt, zo blijkt uit cijfers van de Internationale Arbeidsorganisatie. Dat betekent circa 230 miljoen nieuwe banen, terwijl de bevolking (tussen de 16 en 65 jaar ) in diezelfde periode groeide met 720 miljoen.

De tewerkstellingsgraad is daardoor afgenomen van zowat 64 procent in 1990 tot 60 procent vandaag. Dat betekent hoge werkloosheid, veel schamele jobs in de informele sector en bijzonder weinig vrouwen in de formele economie.

Met die banenloze groei wijkt de Aziatische ontwikkeling sterk af van de wijze waarop het Westen eind negentiende eeuw welvaart genereerde. Die groei bracht verhoudingsgewijs veel meer tewerkstelling tot stand.

Dat geldt trouwens ook voor de inflatie. In de tweede helft van de negentiende eeuw bleven de Europese en Amerikaanse consumptieprijzen op wat pieken en dalen na behoorlijk vlak. In het Azië van vandaag wist de inflatie het gehele effect van de stijgende inkomsten uit. Sinds 1990 groeiden de gemiddelde inkomens in de regio jaarlijks met 3,8 procent; de consumptieprijzen met 4,2 procent. Vooral de prijzen van voedsel en energie stegen flink.

Een derde factor is de industrie. Die genereert in Azië vandaag de dag ongeveer een kwart van de groei – aanzienlijk minder dan de 38 procent in de hoogtijdagen van de industrialisering in het Westen. Enerzijds voert het overgrote deel van de Aziatische landen aanzienlijk meer industriële goederen in dan uit. Anderzijds heeft de industriële sector in de voorbije decennia slechts 9 procent van de nieuwe banen gecreëerd. Veel Aziatische landen verstedelijken zonder de arbeidsintensieve industrie die het Westen tot zijn beschikking had toen daar de urbanisatie een hoge vlucht nam.

Dat brengt ons bij een vierde struikelblok: afhankelijkheid van grondstoffen. Het aandeel van grondstoffen in de uitvoer van Aziatische landen is opgeklommen van 16 procent in 1990 tot 24 procent vandaag. Thailand bijvoorbeeld, haalt 28 procent van zijn exportinkomsten uit basismaterialen, India 31 procent, Indonesië 52 procent. De primaire sector stelt steeds minder mensen tewerk, maar wordt wel belangrijker voor overheden om de uitgaven aan diensten en infrastructuur op peil te houden.

Het is in die context, het versmallen van de economische basis, en de afhankelijkheid van onzekere grondstoffeninkomsten die veel Aziatische landen onstabiel maken en politieke elites doorgaans weinig andere kansen biedt dan haar controle over strategische sectoren aan te wenden om politieke trouw af te kopen, om aan subsidiepopulisme te doen, of oppositie te onderdrukken.

Wat alles nog complexer maakt, is het grote verschil tussen China en de rest van Azië. Sinds 1990 hebben de Chinezen ongeveer 60 procent van de totale tewerkstelling in de regio voortgebracht. China heeft gedurende die periode ook 70 procent van de totale toename in de productie van Aziatische industriële goederen voor zijn rekening genomen en 75 procent van de industriële export. Het gemiddelde inkomen in China is vertwintigvoudigd, terwijl dat in de rest van Azië sinds 1990 slechts is verdrievoudigd. Waar de inflatie de baten van de groei voor de meeste Aziaten uitwiste, is de gemiddelde jaarlijkse inflatie in China beperkt gebleven tot de helft van het groeicijfer.

Willen we de toekomst van Azië inschatten, dan moeten we dit onderscheid maken: tussen groei en de baten van die groei én het onderscheid tussen China en het andere Azië.