Nee, zeg nooit dat je geen kinderen wilt hebben

Praktische argumenten gelden niet in de ‘geen kind’-discussie. Alleen emotie doet er toe, meent Marie-Louise Schonewille.

Kinderen verdienen veel aandacht, kosten veel geld en vergen veel, heel veel tijd. Ik vind andere dingen belangrijker, wens mijn leven niet volledig aan te passen en wil die verantwoordelijkheid niet dragen. Dit zijn de min of meer rationele argumenten voor mijn keuze om kinderloos te blijven. Soms, als de vraagsteller echt geïnteresseerd is, lepel ik ze nog wel eens op. Maar voor de snelle verantwoording gebruik ik inmiddels, na vijftien jaar oefenen, een andere verdedigingstactiek.

Een jonge vrouw, afgestudeerd en samenwonend, die geen kinderen wil: dat wijkt af van de norm. En afwijken van de norm wekt nieuwsgierigheid. Geen alcohol drinken is ook zo’n geval – al is er een verschil. Als ik zeg dat ik niet drink omdat ik hoofdpijngevoelig ben, en de voordelen het dus niet winnen van de nadelen, vinden mensen mij misschien een saaie doos, maar ze accepteren zo’n praktisch argument wel.

Hoe anders is het bij de kwestie kinderen krijgen. Dan geldt niet de ratio, maar de emotie. Al in mijn puberteit kwam ik iemand tegen die me terechtwees: „Jij maakt een lijstje met voors en tegens, maar dit is niet iets wat je rationeel kunt beredeneren.” Aha, dacht ik, blijkbaar mis ik iets. Want het krijgen van kinderen is voor mij nu juist bij uitstek een onderwerp waarvan ik zou zeggen: zou je dat wel doen? Of op z’n minst: zou je daar niet eens heel goed over nadenken?

Ik sta hierin niet alleen. Sterker nog, de licht obsessieve belangstelling voor een vrijwillig kinderloos leven is een beetje gek. Bijna twintig procent van de vrouwen blijft zonder kinderen (gewild of ongewild); onder hoogopgeleide vrouwen is dat zelfs 27 procent (CBS). En dan hebben we het over vrouwen van het laatste ‘voltooide geboortecohort’, geboren tussen 1960 en 1964. Wetenschappelijk onderzoek wijst verder uit dat ongeveer acht procent van de vrouwen die na het dertigste levensjaar zwanger probeert te raken, ongewild kinderloos blijft.

Mijn vroege studententijd was een warm bad met talentvolle meiden, vol van het adagium the sky is the limit. We zouden de eerste vrouwelijke premier van Nederland worden, of de baas van Europa. Kinderen pasten niet in dat naïeve plaatje. Maar dat ging bij de meesten ook weer snel over. „Ik wil nog een paar jaar genieten, maar dan ga ik wel aan kinderen beginnen.”

Het klinkt alsof het moet, en als je maar lang genoeg discussieert komt dat argument vanzelf een keertje langs. Is het een maatschappelijke plicht om kinderen te krijgen, en dus egoïstisch om het niet te doen? De Amerikaanse journalist Jonathan Last schreef er dit jaar een boek over, getiteld What to expect when no one’s expecting. Conclusie: er zijn meer baby’s nodig, anders zijn er straks niet genoeg belastingbetalers. Dit lijkt mij een kwestie van schaal: ik zorg niet voor nieuwe aanwas om onze verzorgingsstaat in stand te houden, maar op wereldschaal lijkt een bijdrage aan de overbevolking mij onnodig.

Geen kind krijgen is een keuze voor jezelf, net zo goed als een kind krijgen dat is. Zolang sommigen hun kinderwens motiveren met ‘dat is toch lief, zo’n baby?’ – of iets dat dat gevoel vertolkt – laat ik de rationele argumenten voor wat ze zijn. Mijn nieuwe verhaal zou beter aansluiten bij de emotionele afweging van anderen: „Ik heb dat oergevoel, dat ik moeder zou moeten zijn, niet”. Dat moet je overigens niet al te stellig doen, want zolang je midden twintig bent, neemt niemand je hiermee heel serieus. Het wordt eerder iets als: „Ik heb gemerkt dat veel jonge vrouwen om mij heen een veel sterker moedergevoel hebben”.

Als het dertigste levensjaar nadert, stijgt je geloofwaardigheid. Maar dat is ook de periode waarin woonkamers tijdens verjaardagsfeestjes ineens verkapte crèches kunnen blijken, als je per ongeluk net wat vroeger aanbelt dan normaal. Voor je het weet sta je dan tegen een volslagen vreemde verantwoording af te leggen over een van de belangrijkste keuzes in je leven. Met de flankerende vragen: wil je partner wel kinderen (nee), heb je hem daarop uitgekozen (nee) en wil je ook niet trouwen (niet per se). En, als slotnummer: hou je dan ook niet van kinderen (jawel, dus je kunt nu wel grinnikend die baby in mijn armen drukken, maar daar schrik ik niet van).

Tegenwoordig begin ik daarom meteen maar met een disclaimer. „Ik weet natuurlijk niet hoe ik me voel als ik 36 ben, maar...”. Ongeacht of ik daar nu zelf heel hard in geloof, blijkt dat verreweg de beste geruststelling die je een gesprekspartner kunt geven. O, ze draait nog wel bij.

    • Marie Louise Schonewille