Misschien moet ik wel oppervlakkiger worden

Voor een onbezoldigde functie is Dichter des Vaderlands een hoop werk, ondervond Anne Vegter dit jaar. En rijk word je er ook al niet van.

Dichter des Vaderlands Anne Vegter wil laten zien dat taal een scheppend medium is voor iedereen, niet alleen voor een dichter. Foto Andreas Terlaak

Het jaar was turbulent, verrijkend en leerzaam voor Anne Vegter. In januari werd ze benoemd tot Dichter des Vaderlands en daar was ze toen opgetogen en vrolijk over, maar ook licht nerveus. Wat stond haar te wachten? Inmiddels is ze erachter, zegt ze, dat de functie veel meer vergt dan ze had kunnen bevroeden. Ze zou wel wat meer rust willen, zegt ze, en glimlacht dapper.

Van de stress kon ze het eerste half jaar niet slapen. Dat gaat inmiddels beter. Halverwege het jaar voelde haar nieuwe functie nog als een molensteen. It sucks, it sucks, it sucks, riep ze, en dat was niet alleen maar theater. Maar dat gevoel is weg. Naar haar idee is ze gegroeid als performer en ambassadeur van de poëzie. Communiceert beter met het publiek en kan vrijer spreken, ook onvoorbereid. Zodra ze eenmaal een microfoon voor haar snuit heeft, zegt ze, gaat het goed.

Misschien is ze te serieus, is haar overweging. Bij een opdracht voor een gedicht was ze gewend zich een maand voor te bereiden. Drie boeken én de poëzie lezen over het onderwerp. Hoe ze dat deed kan ze zich nu niet meer voorstellen. Misschien moet ze oppervlakkiger worden, peinst ze.

De eerste acht weken nadat Anne Vegter was aangesteld, had ze een assistente. Die hielp bij de aanvragen voor interviews, optredens en opdrachten die binnen stroomden. Daarna moest ze die zelf afhandelen. Wat niet iedereen zich realiseert: het Dichterschap des Vaderlands is een fulltime, onbezoldigde functie, en de dichter wordt niet geruggensteund door een organisatie. Dus wordt ze gedreven door de noodzaak om geld te verdienen. Om de schoorsteen te laten roken heeft ze net de opdracht aangenomen een toneelstuk te schrijven.

Ja, haar tarief voor optredens is omhoog gegaan, van 500 naar 1.000 euro. En ze vraagt 500 euro voor een nieuw gelegenheidsgedicht. Ook omdat ze zelf vindt dat ze aan haar nieuwe status verplicht is bovengemiddeld te pieken. Toch proberen clubs haar voor niks langs te laten komen. Er is wel lekker eten, is dan de mededeling. Best bot, zegt ze. Alsof dichten en optreden geen werk is. Het maakt haar boos.

Wat het jaar ook onverwacht zwaar maakte, was de fysieke malheur die haar trof. Er werd artrose in haar knieën vastgesteld. Soms maakt ze opeens een smak. Maar aan een operatie wil ze nu niet denken. Revalideren met nieuwe knieën kost drie tot zes maanden per knie. Dat kan nu niet. Zichzelf minder belasten lukt nauwelijks. Ze wil niet capituleren. Wel vraagt ze vaker om een taxi. Ja, een auto met chauffeur: dat heeft ze nodig!

Optredens voor veel publiek zijn hoogtepunten. Crossing Border in Enschede. De Nacht van de Poëzie. Maar een kleinschalige, intieme middag in Winschoten is even memorabel. Vijftien lokale dichters ontmoeten die de etalages van lege winkels vullen met hun gedichten. Dan merkt ze weer: het medium is vreugdevol. Mind you! En bij een voordracht bij Rotterdamse theologen kreeg ze zelfs het oudste exemplaar uit de kreuk. Dan is ze de link tussen haar taal en de ander. Precies zoals ze wil. Laten zien dat taal een scheppend medium is voor iedereen, niet alleen voor een dichter.

Bizarre momenten kende het jaar ook. Bij de opening van de Malevitsj-tentoonstelling in het Stedelijk Museum trad ze op bij de garderobe. En ook nog om half tien ’s avonds. Niemand luisterde. De bezoekers liepen langs, waren op weg naar hun jas. De plek was in overleg uitgekozen, dus ze heeft zichzelf verweten hoe dat ging. Brak er ook nog een contactpunt in de meegebrachte megafoon. Kreeg ze een soort crisis. Daar heeft ze van geleerd: niet alleen naar het thema kijken, ook naar de omstandigheden. Over de performance zelf was ze tevreden, maar de reactie van de begeleidster van het museum was veelzeggend: die vroeg wat ze er zelf van vond.

Mierenkolonie

En dan eind november bij de openingsceremonie voor de viering van 200 jaar koninkrijk in de Ridderzaal. Beatrix leek niet geamuseerd door haar parabel over ‘bestuurlijke stabiliteit’ aan de hand van een mierenkolonie. Jammer. Maar ze wil zich niet laten sturen door instellingen en instituties. De ruimte houden om de hond te zijn en niet de nar.

Eenentwintig interviews heeft ze gegeven. Alleen streekblaadjes die haar wilden interviewen over haar jeugd hield ze af. Dat Eva Jinek haar wilde spreken voor de Telegraaf noemt ze bijzonder. Twee werelden die elkaar ontmoeten. Voor de foto werd ze onder handen genomen door een visagist. Ook nog nooit meegemaakt. Overigens: ze wil niet ijdel klinken, maar ze kan best op de foto zonder make-up.

Dat het gesprek met Jinek, net als met de Volkskrant, niet over poëzie maar alleen over haar ging, vindt ze geen probleem. Het is niet erg dat mensen haar leren kennen, zegt ze nonchalant. Zulke interviews ziet ze als marketingtruc, die kan ze geven zonder concessies te doen. Dat is een ontdekking. Toch gaat ze, zegt ze in juli, interviewers vragen of ze ook haar werk kennen.

Met de gedichten die ze moest schrijven lag ze in de knoop. De eerste keer, over de abdicatie van Beatrix, was verschrikkelijk. Voor haar gedicht bij de opening van het Rijksmuseum koos ze ervoor één schilderij te beschrijven. Was dat niet bezijden het onderwerp, was de vraag. Haar antwoord: niet de eregalerij waar iedereen over sprak, maar een wandeling maken door het museum, de kunst verinnerlijken, vond ze belangrijk.

Galmend eindigen

Het gedicht dat Campert bij de gelegenheid uitsprak, eindigt met een galmend ‘óns rijk, óns museum, óns Rijksmuseum’. Zo zou ze het niet kunnen. Niet willen. Dat is bijna geen poëzie meer, zegt ze. Misschien moet een Dichter des Vaderlands zo klinken, want is dat wat mensen willen horen. Maar zo gaat ze niet schrijven. Jammer dan.

Dat lezers afhaken op de abstractie van haar werk, weet ze wel. Terwijl die abstrahering een latere fase is in het maken van een gedicht. Nu heeft ze zichzelf opgedragen op tijd te stoppen. Als het gedicht nog toegankelijk is. Ze wil in deze functie geen mysteries verspreiden.

In januari ontvouwde ze een serie plannen en dromen, maar het werd haar duidelijk dat de realisatie veel tijd kost. Over het idee om begin 2014 met een karavaan door Nederland te gaan, met collega’s en jazzmuzikanten, heeft ze drie maanden gesproken met drie grote lettereninstellingen. Wordt 2015. De poging voor de zomer fondsen te werven liep op niets uit. Soms voelt ze zich dolende, een roepende in de woestijn. Alleen haar uitgever, Annette Portegies, zegde haar onlangs de hulp van een stagiair toe.

Elke dag valt ze doodmoe in bed, zei ze in de zomer. Haar hele seksleven naar de kloten. Alles opgeofferd voor die functie! Haar creativiteit verschrompelt. Dat wil ze zo niet meer, belooft ze op dat moment. Het gezin, met drie zonen, gaat ook door.

In december toont ze nieuw elan, de geestdrift bij haar start in januari is terug. Gedichten schreef ze het laatste half jaar wel, maar ze stonden niet als werk van de Dichter des Vaderlands in de krant. Van het gesprek in de zomer over haar Rijksmuseum-gedicht heeft ze vet last gehad, zegt ze. Het remde haar. Maar ze wil zich weer gaan uitspreken. Rutte 3? Misschien.

Dichteres des Vaderlands noemt ze zich nu. Dat ze vrouw is, wil ze centraler stellen de komende jaren. Thema’s genoeg. En de ontmoeting met de Filosoof des Vaderlands René Gude was inspirerend. Hij is een vriend geworden en ze gaan samen werk maken. Er komt een documentaire over haar. Het worden strijdbare, vitale jaren. Maar nu even min 44 op de giro. Kan ze nog wat te drinken bestellen?

    • Ron Rijghard