opinie

    • Marcel van Roosmalen

Marcel Kerstmis

De verwachtingen waren ieder jaar zo laag dat het eigenlijk alleen maar kon meevallen. Mijn moeder maakte altijd hetzelfde eten. Een met pruimen gevulde kalkoen van slagerij Theunissen, aardappelpuree en boontjes. En Viennetta-ijs toe.

Mijn vader die de voordeur opende en dan, terwijl ik de jas uitdeed, zei dat we dit jaar geen ruzie gingen maken. Hij instrueerde me dat ik tegen mijn moeder moest zeggen dat het eten lekker was.

„Gewoon gezellig doen.”

Mijn broer die me begroette met de vraag of ik er ook geen zin in had.

„Nee, natuurlijk niet.”

Mijn zus die meteen liet weten dat ze geen zin had in al dat negativisme, waarmee het eerste conflict een feit was.

Het zwijgend lepelen van de soep.

Het voorzichtig informeren naar elkaars bezigheden.

„We zijn aan het sparen voor een nieuwe voordeur.”

– „O, leuk.”

De ruzie om niets die altijd op de loer lag.

Mijn vader die dan met welgemikte schoppen onder tafel probeerde om de stemming te doen kantelen. Als iemand zei dat het weer niet gezellig was, pareerde hij met: „Het is hier wel gezellig!”, hetgeen komisch was.

Mijn moeder die dan zuchtend en vol zelfmedelijden zei: „Ik heb mijn best gedaan.”

De overbuurvrouw die zoals ieder jaar rond negenen zelfgebakken oliebollen kwam brengen. Het vet droop door de papieren zak.

„Heerlijk Ad”, hoorden we mijn vader dan zeggen.

Als ze uit het zicht was, gooide hij de zak in de vuilnisbak.

Die dingen waren niet te eten, daar waren we het dan wel over eens.

Achteraf bezien was de Kerstmis dat mijn moeder in elkaar zakte bij het gasfornuis misschien wel een van de gezelligste, hoewel we de keer dat de vitrage vlamvatte ook niet mogen uitvlakken.

We zaten te wachten op de kalkoen, die niet kwam.

Ze werd weggebracht met de ambulance.

Je ziet het vaker bij rampen: de mensen groeien naar elkaar toe.

Een jaar later, mijn moeder deed het nog, was het weer als vanouds ongezellig.

En het jaar daarna ook.

Sinds mijn vader is overleden, is er nooit meer ruzie over de dag waarop we samenkomen. En als het dan zo ver is valt er geen onvertogen woord. Als hij kon meekijken zou hij het niet geloven.

Niemand die het hardop zegt, maar we missen die meedogenloze ongezelligheid enorm.

Zo ongezellig als toen wordt het nooit meer.

    • Marcel van Roosmalen