Krokant

‘Hoekig en knapperig krokant is wat men van buiten ziet, maar zo zacht en vol vuur in het hart.” Je leest deze zin en je denkt: dit is poëzie. Het zou een haiku kunnen zijn. Een wat te lange haiku, dat wel.

Een goed gedicht heeft wel vaker iets onbegrijpelijks. En ook dat ongrammaticale – dat komt vaker voor in de poëzie. Het bekendste voorbeeld daarvan is denk ik het gedicht De moeder de vrouw van Martinus Nijhoff (‘Ik ging naar Bommel om de brug te zien’). Iemand ligt in het gras en hoort iemand anders die op een schip komt aangevaren. ‘Zij was alleen aan dek, zij stond bij ’t roer, en wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren.’ Een rare kromme zin, maar in dit geval juist goed: eerst hoor je iemand (figuur 1), dan hoor je dat iemand zingt (figuur 2), en naarmate het schip dichterbij komt hoor je dat het psalmen zijn die gezongen worden (figuur 3).

Ik probeer altijd om De moeder de vrouw op te zeggen als ik over de Martinus Nijhoffbrug bij Zaltbommel rijd. Het is de kunst om het precies zo te timen dat je begint bij het begin van de brug, en eindigt bij het einde. Het is mij nog nooit perfect gelukt.

Goed, terug naar het ‘hoekig’-gedicht. Er is veel dat niet helemaal goed voelt, maar het doorslaggevende woord is toch ‘krokant’. Krokant is een woord dat vooral wordt gebruikt door mensen in de voedselbusiness. Het is een nikswoord. Krokant heeft niet het kokette van kroket. Krokant heeft niet het korte van krant. Krokant is... krokant. Geen poëzie.

En inderdaad: deze tekst staat op de doos van de kersenflappen met room van de Albert Heijn. ‘Kersenflappen’ is een vies woord, dat snap ik ook wel. Maar het heeft daarom ook wel weer iets koddigs. Laat de kersenflap de kersenflap, zou ik zeggen, en doe niet aan poëtisering.

Wat dan wel weer een mooie gedachte is: er bestaat dus ergens een kamer met daarin mensen, die deze teksten aan het componeren zijn. Ik wil graag een zes uur durende tragikomische documentairereeks over deze kamer zien.