In stilte geniet judoreus van late erkenning

Een gevoel van miskenning loopt als een rode draad door zijn leven, dat als gevolg van een herseninfarct in 2001 drastisch veranderde. Hij verhuisde dit jaar naar een verpleeghuis, maar er was ook erkenning voor judolegende Willem Ruska. Eindelijk.

Willem Ruska in de sportschool in Hoorn van Frits van der Werff, niet ver van het verpleeghuis waar hij woont. Mét de medailles die hij in München won. Foto Merlijn Doomernik

Praten kan hij bijna niet meer. Maar in zijn kamer op afdeling Tulp in verpleeghuis Lindendael, in Hoorn, heeft Willem Ruska (73) geen woorden nodig om duidelijk te maken hoe trots hij is op wat je zijn sportieve hoogtepunt van dit jaar zou kunnen noemen. Bij de WK judo in Rio de Janeiro werd hij in augustus opgenomen in de hall of fame van de internationale judofederatie. Boven zijn verhoogde bed, met een ‘papegaai’ waaraan hij zijn 120 kilo zware lijf kan optrekken, prijkt de oorkonde die echtgenote Liza in Brazilië voor hem in ontvangst nam, samen met hun negentienjarige kleindochter Geranne. In honor and celebration of a memorable career in judo, staat er in sierletters. Ondertekend door de voorzitter van de internationale judobond en de algemeen secretaris. Tussen foto’s van zijn kleinkinderen en een actiefoto van zijn catamaran krantenknipsels met het nieuws van het eerbetoon in Rio. Tussen kast en televisie een ingelijst artikel uit de Alkmaarsche Courant. De kop: ‘Erkenning voor judogigant’. En bij de deur een manshoog banier van de hall of fame waarop hij als judoka is afgebeeld.

Ooit was Ruska was een verteller. Amsterdamse branie geserveerd in oneliners en altijd in voor een grap. Het boek Vallen en Opstaan uit 1971, twee jaar geleden heruitgegeven onder de titel Ruska, staat er vol mee; het is één lange monoloog. Maar dat was vroeger, vóór het herseninfarct dat het leven van de tweevoudig olympisch kampioen en zijn echtgenote op slag veranderde en hem veroordeelde tot de rolstoel. Sinds die ene zonnige dag in hun verregende vakantieweek op Tenerife, najaar 2001, is de rechterkant van zijn lichaam verlamd en zijn spraak als gevolg van afasie beperkt tot korte zinnen en losse flodders – woorden die hij vaak ook nog herhaalt. Zijn gezichtsuitdrukkingen zeggen des te meer.

„Je kan alles tegen Willem zeggen, hij begrijpt het allemaal, maar hij komt niet meer uit z’n woorden”, zegt Liza Ruska. „Dan zeggen mensen, ‘hij kan het toch opschrijven?’ Maar als-ie niet op de woorden kan komen, kan hij ze toch ook niet opschrijven?”

Zwarte Joop

Voortgeduwd in zijn rolstoel, op een zondagochtend in december op weg naar de sportschool waar hij in een judoambiance zal worden gefotografeerd, reageert Ruska enthousiast op de vraag of hij de avond ervoor de samenvatting van Ajax-NAC (4-0) heeft gezien, met die fraaie combinaties van de club uit Amsterdam en drie goals van Klaassen. „Nou, nou, nou!” Zo maakt Ruska duidelijk dat hij genoten heeft van zijn club, voor de breedbeeldtelevisie die hij van zijn beste vrienden heeft gekregen. Liza is met de auto onderweg naar de sportschool, met de twee gouden medailles die Ruska op de Spelen van 1972 won; het hoogtepunt in zijn carrière.

Ik herinner me zijn imposante gestalte van die ene keer dat ik hem van dichtbij zag, in Tuschinski in Amsterdam, in 1980. Cruising draaide daar die avond, de thriller met Al Pacino die zich undercover in het homomilieu van New York begeeft, op zoek naar een seriemoordenaar. Ruska zat schuin voor me. Het was in de periode dat hij als oud-judoka op de Wallen zijn geld verdiende, als coach in sportschool Oyama en als ‘ordecommissaris’ in het casino van Zwarte Joop, de ‘koning van de Wallen’. In de sportschool trainde hij Peter Adelaar, met 2 meter 13 de langste judoka die Nederland kende én – onder Ruska – Europees kampioen. In het casino leerde hij in ’74 Liza kennen. Ze stond er achter de bar.

Ruim dertig jaar later is Ruska ook in zijn rolstoel nog een indrukwekkende verschijning. De man die bijna niet meer buiten komt, draagt op weg naar de sportschool een bruine suède winterjas met kraag, een fleurige sjaal, een zwarte broek en met de hand gemaakte sportschoenen.

Even later houden we in de sportschool met z’n drieën – ook Liza en sportschoolhouder Frits van der Werff – de bijna 1 meter 90 lange Ruska overeind. Jas en overhemd uit, nieuwe hagelwitte judojas aan. Dat valt niet mee, zelfs niet met de grootste maat (2.10 meter) van de drie pakken die de leverancier uit Den Helder heeft opgestuurd. Het dikke katoen is stijf, en Ruska geeft vanzelfsprekend niet mee. „Voel je hoe hard die spieren nog zijn”, vraagt Liza. Ruska slaakt even een korte kreet, bang als hij is om te vallen. De angst is in z’n ogen te zien. Maar alles gaat goed. Van der Werff knoopt de rood-witte band die bij de 8ste dan hoort om z’n lijf en voorzichtig, bijna in slowmotion, laat Ruska zich weer in zijn rolstoel zakken. In de judozaal laat hij zich vervolgens met zichtbaar plezier fotograferen, gouden medailles – nog met een ketting in plaats van een lint – om zijn nek.

The Games must go on

In het restaurant van het verpleeghuis in het centrum van Hoorn vertelt Liza twee weken eerder hoe het ze is vergaan sinds zijn herseninfarct. Met Willem erbij, in zijn rolstoel. Ook hier de onafscheidelijke medailles van München ’72, in hun oorspronkelijke witte doosjes met goudkleurig logo van die Spelen. Ze zijn verpakt in een eenvoudige plastic zak, alsof er een pak koekjes in zit. Tijdens het gesprek wijst Ruska er een paar keer naar. Of Liza ze wil laten zien. „Straks”, zegt ze dan.

Na een plotselinge steek in een van zijn voeten, waarbij zijn gezicht van pijn vertrekt, doet ze de schoen aan zijn ene voet en de brace om zijn andere uit. Vanaf dat moment zit hij erbij zoals hij op de tatami strijd leverde, blootsvoets.

Dat Ruska zich altijd miskend heeft gevoeld, is de rode draad in alle verhalen die sinds 1972 over hem zijn geschreven. Hij won zijn eerste goud op de eerste dag van de Spelen, 31 augustus, bij de zwaargewichten. Vijf dagen later overvielen Palestijnse terroristen het verblijf van de Israëlische sporters, van wie er twee werden gedood en negen gegijzeld. De balans na de mislukte bevrijdingsactie diezelfde dag: zestien doden; de vijf Palestijnen en elf Israëlische sporters. The Games must go on, decreteerde IOC-voorzitter Avery Brundage. Een deel van de olympiërs ging desondanks naar huis, anderen bleven. Onder wie Ruska. Hij moest en zou één olympische gouden medaille meer winnen dan Anton Geesink, dat was zijn doel sinds Tokio 1964 – vier jaar later ontbrak judo in Mexico op het olympische programma. Ruska won op 9 september in de klasse alle categorieën zijn tweede goud. Sindsdien is hij is de enige judoka die twee keer goud won op één olympisch toernooi.

Waar Geesink acht jaar eerder als olympisch kampioen alom was bejubeld, werd Ruska bij terugkeer lauw onthaald. Zo gek was het niet dat koningin Juliana op Soestdijk na het bloedbad in München geen feestje aanrichtte voor de Nederlandse olympische kampioenen. Ruska keek wel raar op toen hij twee jaar later zag dat het Nederlands elftal van Cruijff en Michels, met premier Den Uyl, in polonaise door de paleistuin ging. Na nota bene een verloren WK-finale, ook in München.

Sportman van het jaar in 1972 werd Ard Schenk, die met drie gouden medailles uit Sapporo terugkwam. En een koninklijke onderscheiding zat er voor Ruska ook niet in. Want nadat hij bij de marine als radioafstandpeiler op de Karel Doorman een korporaal „een stomp recht voor z’n kokosnoot” had gegeven, nog voor z’n judocarrière begon, werd hij veroordeeld tot een maand detentie. Zo groeide hij uit tot een judoheld met een strafblad. Ruska kijkt bedenkelijk en ondeugend tegelijk als zijn kortstondige gevangenschap in Nieuwersluis ter sprake komt. Vrij vertaald: daar had ik niet zo veel te vertellen.

Later zette Erica Terpstra zich in voor een lintje voor Ruska. De VVD-politica vertolkte een breder levend gevoel dat het tijd was voor eerherstel. Tevergeefs. Een enkeling in Ruska’s omgeving speculeert op een vorm van gratie van Willem-Alexander – koning met een sportachtergrond.

Gladoor

Ruska was er graag bij geweest in Rio, bij het feestje van de hall of fame, maar zo’n lange reis kan hij niet meer aan. In zijn rolstoel een paar straten verderop naar de sportschool – dat vreet al energie, hoeveel plezier hij daar ook aan beleeft. „Eigenlijk is elke inspanning hem te veel.”

In het najaar van 2001 gingen ze voor het laatst samen op reis; een weekje Canarische Eilanden. Even weg uit hun kroeg in Wormerveer, De Gladoor, een naam die niks te maken had met het (linker)oor van Ruska dat ongeschonden zijn gevechten had doorstaan, in tegenstelling tot zijn rechter bloemkooloor. Gladoor is de bijnaam die Wormerveerders danken aan het werk in de oliemolens. Ruska wilde het café vier jaar later verkopen, vlak voor z’n pensionering, en dan naar Hoorn verhuizen, waar Liza’s moeder woonde.

Voordat ze met vakantie gingen, kreeg Ruska een TIA. Half verlamd en niet in staat iets te zeggen lag hij thuis op de bank.

In het ziekenhuis kwamen binnen 24 uur alle lichaamsfuncties terug. Daar werd ook een verwijding van een halsslagader vastgesteld, een gevolg van de vele verwurgingen in zijn judojaren. „Dat was de binnenband van een fiets die op knappen stond”, zegt Liza. De arts wilde eerst medicijnen proberen om dat te verhelpen, maar Ruska was er niet gerust op en wilde zo snel mogelijk geopereerd worden. Daar voelde de arts niets voor. En volgens hem konden ze best met vakantie.

Liza: „Voor de vlucht naar Tenerife ging het al mis op Schiphol. We hadden acht uur vertraging en toen we daar zaten te wachten had hij opeens geen gevoel meer in z’n benen. Ik zeg, ‘Wim, ik ga het cancelen, ik bestel een taxi en we gaan naar huis’. Maar hij moest en zou met vakantie. Even later trok het bij en kwam het toch weer goed. Maar op de voorlaatste dag ging het mis. Nadat we op het strand waren aangekomen, kocht ik in een winkeltje een flesje water en een krant. Kom ik terug en daar zie ik allemaal mensen bij Willem, die met z’n armen zwaait en gek doet, en met z’n ogen draait. De politie was al gearriveerd en even later ging hij met de ambulance naar het ziekenhuis. Daar raakte hij in coma en bleek dat hij een herseninfarct had gehad. Het eerste en enige wat hij zei toen hij wakker werd, was ‘godverdomme’. De chirurg liet een foto van z’n hersenen zien; aan één kant was alles zwart. Alles was weggeslagen, en dat komt nooit meer terug, zei hij.”

Pas na zeven weken keerden de Ruska’s terug naar Nederland. Willem revalideerde zeven maanden in Wijk aan Zee, Liza runde het café. Weer een half jaar later verkochten ze De Gladoor en verhuisden ze naar een aangepaste woning in Hoorn. „De eerste vier jaar heb ik het helemaal alleen gedaan”, zegt Liza over de verzorging van haar man. Tot hij uit z’n scootmobiel viel en z’n schouder brak. „De chirurg wilde hem een nacht in het ziekenhuis houden, ook omdat ik dan thuishulp zou kunnen regelen. Maar Willem wou niet en begon te krijsen. ‘Nee, nee, nee.’ Je kon praten als brugman, maar hij wou naar huis. En nee is nee bij hem, en wordt ook geen ja.” Maar die hulp kwam er, elke ochtend en elke avond. „Moest ook wel, want ik liep op m’n laatste benen.” Maar net toen Liza wat meer tijd voor zichzelf kreeg en leuke dingen kon gaan doen met vriendinnen, bleek dat ze borstkanker had. Achttien chemobehandelingen en dertig bestralingen later is ze genezen, maar ze volgt nog wel een hormonentherapie.

Voorover op de salontafel

In april van dit jaar was Ruska weer aan de beurt. Liza: „Hij stond op en viel voorover op de salontafel. Ik heb hem overeind gekregen en weer in z’n sta-op-stoel gezet. Ik moest de hond uitlaten en nog wat boodschappen doen en zei dat ie maar even moest gaan slapen. Kom ik terug en was-ie weer op de salontafel gevallen.” In het ziekenhuis bleek dat Ruska een gebroken rib had, longontsteking, een urineweginfectie en te weinig zuurstof in z’n bloed. Hij lag daar een week, revalideren deed hij in het verpleeghuis. Al snel was duidelijk dat hij niet meer thuis zou kunnen wonen. „De huisarts zei tegen me dat Willem nog wel tien jaar zou kunnen leven, maar dat ik er aan onderdoor zou gaan. Toen moesten we Willem vertellen dat hij hier moest blijven. Ben ik een week doodziek van geweest. Niet geslapen, vier kilo afgevallen. Ik durfde het niet en dacht, die wordt pisnijdig en scheldt me helemaal verrot.

In het bijzijn van Liza en haar schoondochter Cindy vertelde een maatschappelijk werkster aan Ruska dat het voor iedereen het beste zou zijn als hij in het verpleeghuis zou blijven. „Hij schrok zich groen en geel”, zegt Liza. Hij keek me aan en kon me wel vermoorden. De maatschappelijk werkster legde uit dat ik al die tijd voor hem gezorgd had en het zo niet langer vol kon houden en dat ik hem echt niet in de steek zou laten, en elke dag langs zou komen. Dat dat de enige keus was.

„Toen mocht hij zeggen hoe hij erover dacht. Hij keek me aan en zei: ‘Het is goed zo.’ Ik huilen, m’n schoondochter huilen… Ben je het hier echt mee eens? ‘Is goed.’ Daarna hebben we hier met z’n drieën in het restaurant gegeten en hij was gewoon blij, misschien ook wel opgelucht.”

De volgende dag, toen ze voor het eerst weer met hem alleen zou zijn, verwachtte Liza dat ze „op haar sodemieter” zou krijgen. „Maar hij was heel blij. En wat was het mooiste? Had ie bij de receptie gestaan waar Iris zit, z’n vriendin. Achter haar staat een kast met sieraden, daar stond ie naar te kijken. Zegt ze: ‘Cadeautje kopen voor Liza?’ ‘Is goed’, zegt ie. Heeft ze al die kettingen om haar nek moeten doen en heeft ie de mooiste voor me gekocht. Kom ik aanlopen met het lood in m’n schoenen en zit ie daar in de hal met dat cadeautje op z’n schoot. Dat was zo mooi.”

Twee keer in de week heeft Ruska’s ochtends fysiotherapie en elke dag na de lunch, in het restaurant, slaapt hij een paar uur. Om vijf uur komt Liza op bezoek. „Hij zit de hele tijd op z’n klokkie te kijken en als ik vijf minuten te laat ben, is ie pisnijdig. Dan zeg ik, ‘oké, dan ga ik weer’. Ruska lacht. „Elke avond eten we in het restaurant, kijken we op z’n kamer nog naar The Bold, doe ik z’n schoen en z’n brace uit, poets ik z’n tanden en maak ik koffie.” En om zeven uur gaat Liza weer naar huis.

Ook vrienden komen regelmatig langs, zoals Joop Kruis, begin jaren tachtig met Ruska te gast bij het tv-programma Wedden dat. Volgens Ruska kon Kruis een telefoonboek in zes stukken scheuren. En zo geschiedde. Bijna elke zaterdag komt Kruis uit Vinkeveen naar Hoorn. Drinken ze een kop koffie en eten ze een broodje kroket.

„Hij heeft het hier erg goed naar z’n zin’’, zegt Liza bij terugkomst op kamer 47, terwijl Ruska alweer voor de tv zit – skischansspringen in Duitsland, op een borstelbaan. „Een tijdje geleden zette hij hier in een vol restaurant Tulpen uit Amsterdam in. En iedereen deed mee.”

    • Ward op den Brouw