Ik loop dit jaar twee marathons

Het dit jaar onder zijn leiding heropende Rijksmuseum is een „groot nationaal symbool” en een „bindend element” voor Nederland. „Maar de overheid blijft de kunsten vooral als een kostenpost zien.”

„Wat gisteren gemaakt is, laten we als Rijks nog even liggen. Maar dingen die inmiddels voltooid verleden tijd zijn, die wil je in het grote verhaal van Nederland een plaats geven.” Foto Andreas Terlaak

Je wordt in 2008 hoofddirecteur van ’s lands eerste museum, het Rijks in Amsterdam, dat al sinds 2003 grotendeels gesloten is wegens een verbouwing die niet opschiet. Je trekt die verbouwing vlot en in 2013 gaat de zaak eindelijk weer open, onder algemeen groot enthousiasme. Heeft een directeur dan niet een katterig gevoel – zo van, doel bereikt, einde verhaal?

Wim Pijbes (1961) ontkent. „Ik heb in het afgelopen jaar twee marathons gelopen. Eentje naar de heropening op 13 april, en eentje sindsdien. Het museum is van de ene bubble naar de andere bubble overgegaan. We hadden gedacht dat het bezoek na het toeristenseizoen wat zou afvlakken, maar we gaan gewoon door met 8.000 à 13.000 bezoekers per dag.”

Slijt een museum met zoveel bezoekers?

„De apparatuur kan het hebben. En de collectie ook natuurlijk. Wat slijt is de verf op de trapleuningen. En de deurmatten. Het gebouw is gemaakt voor massa’s: ongeveer 200.000 bezoekers in het openingsjaar 1885. Het karkas is hetzelfde als toen, al hebben we nu natuurlijk een atrium om de stroom op te vangen. Als mensen klagen over rijen, zeg ik: kijk naar de Uffizi in Florence, of het Grand Palais in Parijs. Rijen horen bij grote musea.”

Adviesbureau Booz & Company heeft onderzoek gedaan naar de impact van het Rijks – de uitkomsten heeft Pijbes in een brochure laten uitgeven: Rijksmuseum – Bijzonder Binnenlands Product. De immateriële impact is moeilijk in geld uit te drukken, maar de wel kwantificeerbare impact oogt indrukwekkend: met ongeveer 650 eigen personeelsleden, zorgt het Rijks voor rond 3.700 arbeidsplaatsen, en levert op jaarbasis een bijdrage van 235 miljoen euro aan het bruto binnenlands product.

„Er is de laatste jaren”, zegt Pijbes, „een tendens geweest om cultuur alleen als kostenpost te zien. Ik verzet me daar ernstig tegen. Wij laten zien dat cultuur een investering is, die wordt terugverdiend. Materieel – omdat wij een publiekstrekker voor Amsterdam en Nederland zijn. Dat Schiphol een recordjaar heeft, komt voor een deel ook door ons. Maar ook als investering in sociale cohesie, integratie, cultureel bewustzijn, nationale identiteit – allemaal dingen die moeilijk in geld zijn uit te drukken.

„Niet om borstklopperig te doen, maar ik stel vast dat het Rijksmuseum als groot nationaal symbool en bindend element een grote bijdrage levert aan wat dit land is. Er waren dit jaar naar mijn smaak drie van zulke momenten. Ten eerste de deelname van Anouk aan het Eurovisie Songfestival, op haar eigen voorwaarden, met haar eigen song en band, zonder commissies en voorzingen en verkiezingen. Na jarenlang gepolder hadden we op het Songfestival eindelijk weer een artiest met een smoel.

„De tweede golf van het gevoel ‘we staan nog ergens voor’ was bij de opening van het Rijksmuseum. En de derde natuurlijk bij de abdicatie van koningin Beatrix en de bestendiging van de monarchie. Of je nu royalist bent of niet, dat gaf toch een gevoel van nationale of culturele eenheid. Als symbool heeft de heropening van het Rijksmuseum een belangrijke rol gespeeld, bewust of onbewust.”

Er is ook kritiek geweest op de inrichting van het ‘nieuwe’ Rijks.

„Minimaal. De kritiek valt in het niet bij de ongelofelijke bijval, ook in het buitenland. Buiten ons museum heeft men niet half weet van de impact die het Rijks heeft. Van Soedan tot Hongkong staan we in reisrubrieken, vrouwenmagazines – noem maar op. We hebben sinds de opening al acht keer met een groot stuk in The New York Times gestaan. We krijgen wel een keer of twee per week ergens ter wereld een prijs. We zijn opgehouden daar iedere keer een persbericht over uit te geven.”

Waarop berust dat enthousiasme?

„Op wat de historicus Simon Schama bij de opening de ‘curatorial revolution’ genoemd heeft: mengen wat kan, scheiden wat moet. Daarmee heeft mijn voorganger, Ronald de Leeuw, een grote stap gezet. We hebben de twee hoofdtakken van dit huis – kunst en geschiedenis – zoals die van begin af aan gescheiden waren – verzameld en gepresenteerd, gemengd. En we hebben de schotten tussen de verschillende verzamelgebieden – keramiek, textiel, munten, grafiek, schilderijen, wapens – weggetrokken. Een kast van Doomer staat nu op één zaal naast een schilderij van Rembrandt en zilver van Jan Lutma. Je ziet dat die drie, in dezelfde stad op hetzelfde moment, actief waren met het beste dat er op hun gebied in de wereld was – het wonder van de Republiek in de Gouden Eeuw. Met dit concept gaan we verder dan welk museum ter wereld ook, vanaf de Middeleeuwen tot aan de Twintigste Eeuw helemaal doorgerold. Als je het vliegtuig van Frits Koolhoven uit 1918 ziet, en daarnaast het uitgeklede stoelontwerp van Rietveld, begrijp je waar het vandaan komt. Je gaat vergelijken en beter kijken. Dat is het succes van het Rijksmuseum.”

Critici menen dat de Twintigste Eeuw geen taak van het Rijks is. Is het wel zinvol om een beeld te willen geven van een periode die nog niet is uitgekristalliseerd, met een collectie die nog in ontwikkeling is?

„Onze collectie Zeventiende Eeuw is ook nog in ontwikkeling! Of die van de Middeleeuwen – daar kijken we nu heel anders tegenaan dan twintig, dertig jaar geleden. Ook voor die tijdperken doen we nog aankopen en verwerven we zaken. Het beeld van elke eeuw is net zo dynamisch als ons beeld van de Twintigste.

„Goed, wat gisteren gemaakt is, laten we als Rijks nog even liggen. Maar dingen die inmiddels voltooid verleden tijd zijn, zoals dat vliegtuig en die stoel, die wil je in het grote verhaal van Nederland een plaats geven. Het zou vreemd zijn als we in 1900 of 1930 opeens een streep zouden trekken en ophouden met verzamelen. Dat is trouwens niets nieuws voor het Rijks. Zo’n vijftien jaar na de opening van 1885 kwamen hier door een legaat de schilderijen van de Haagse School binnenrollen. Al die kunstenaars leefden toen nog.”

Toen er nog plannen bestonden voor een Nationaal Historisch Museum, heeft u wel eens gesuggereerd dat het Rijks eigenlijk dat museum was. Maakt u die pretentie waar?

„Het heeft mij destijds zeer verbaasd dat, terwijl dit huis in verbouwing was, er opeens bij de politiek zo’n grote behoefte bleek aan een nationaal historisch museum. Het was typisch Nederlands beleid: je constateert iets – gebrek aan historisch besef bij Nederlanders – en vervolgens ga je niet te rade bij bestaande musea of andere instanties om te kijken wat je kunt doen, maar trekt een hele nieuwe structuur uit de grond. Voor elk probleem wordt een nieuw vehikel bedacht. Dat werkt dus niet, dat is te kunstmatig.

„De historische musea van Nederland hebben destijds nog een gezamenlijk plan gemaakt – daar heeft de politiek nauwelijks naar gekeken. Doodzonde, had veel geld gescheeld. Voor het Nationaal Historisch Museum werd 10, 12 miljoen euro op jaarbasis uitgetrokken, oftewel een miljoen per provincie! Had er een subsidiepotje van gemaakt, en bestaande musea gevraagd plannen in te dienen! Met 12 miljoen kom je een heel eind.”

Het beeld van de vaderlandse geschiedenis in het Rijks is te weinig zelfkritisch, menen critici. Onderwerpen als koloniale uitbuiting of slavernij komen er bekaaid af.

„Dit soort onderwerpen doe je altijd verkeerd. Men realiseert zich te weinig dat in een museum objecten het verhaal moeten vertellen. Dus als iemand zegt ‘jullie doen te weinig aan de slavernij’, dan is mijn antwoord: ‘noem mij tien objecten’. Die heb ik niet. Ik kan bitter weinig tonen: een brandmerk, een ketting, een paar dingen die zijdelings de slavernij aantonen als een model van een slavenschip of een schilderij van het fort Elmina aan de Afrikaanse Westkust. Die laten we ook zien, maar het is weinig. De slavernij is een vergankelijk fenomeen, er is weinig tastbaars bewaard gebleven. Behalve een plaats waar objecten getoond worden, is het Rijksmuseum echter ook nog een plaats waar wetenschappelijk onderzoek wordt verricht. Het eerste boek in onze nieuwe landenreeks is Dof goud van Gijs van der Ham, over Ghana. Daarin komt de slavernij aan de orde. Maar ik geef toe: iemand die naar het Rijksmuseum komt om zich helemaal in het slavernijverleden te storten, vindt weinig.”

Het succes van het Rijks is een lichtpuntje in een tijd waarin de Rijksoverheid harteloos bezuinigt op de kunsten.

„Harteloos? Zeg maar gerust dat er een anti-stemming was. In een tijd waarin iedereen moest bezuinigen, onder het eerste kabinet-Rutte, kon ik de rechte lijn van staatssecretaris Zijlstra wel begrijpen. Hij was een man met een missie. Maar wat ik niet goed vond, was dat Zijlstra steeds in de eerste plaats staatssecretaris was van het kabinet-Rutte, en pas daarna staatssecretaris van cultuur. Er moet ook iemand zijn in het kabinet die opkomt voor de cultuur, die onze belangen behartigt. Ik heb me in die tijd zeer gestoord aan het vocabulaire – zeer gestoord, zowel van links als van rechts. Alles moest zakelijker en ondernemender. Dan denk ik: hoezo ondernemend? Wij moeten als musea Europees aanbesteden, ons aan allerlei regels houden waar het bedrijfsleven niets mee te maken heeft, aan onderwijs doen, bijdragen aan integratie, de wijk in – en dan wordt er ook nog verwacht dat wij ondernemend zijn.

„En het doekje voor het bloeden uit die tijd – het faciliteren door de overheid van cultureel ondernemen – is een lachertje geworden. Mede door allerlei moties in de Tweede Kamer is van het hele culturele mecenaat eigenlijk niets overgebleven.”

Het is nooit te laat om te repareren.

„De overheid ziet onvoldoende de mogelijkheden, en blijft de kunsten vooral als een kostenpost zien. Een vergelijking met de ons omringende landen valt mager uit. In Nederland hebben wij bijvoorbeeld een minimale regeling voor indemniteit, waarbij de Rijksoverheid zich bij grote internationale tentoonstellingen garant stelt voor topstukken. In Groot-Brittannië is die onbeperkt. Wij kennen niet, anders dan Frankrijk sinds 2006, een regeling waarbij bedrijven voor een museum een kunstwerk kunnen kopen dat anders het land uit zou zijn gegaan, en het geld vervolgens van de belasting aftrekken. Duitsland loopt vér op ons voor bij erfrechtfaciliteiten.

„Kijk, we heten wel Rijksmuseum, maar net als veel andere Nederlandse musea zijn we eigenlijk voor en van burgers. De verzamelingen zijn in de loop van vele jaren door burgertrots en burgerinitiatief ontstaan, en de overheid heeft daar dan later een huis omheen gezet, of een organisatie. Prima, maar de kern is toch vaak particulier initiatief. Daar moet je veel zuiniger op zijn, en dat moet je stimuleren. Daarin loopt Nederland achter.”

Het Rijksmuseum heeft in het eerste jaar na de heropening bewust afgezien van bijzondere tentoonstellingen en zich beperkt tot de permanente opstellingen. „Bij zoveel toeloop moet je even wachten, anders loopt het fout”, zegt Pijbes. Maar volgend jaar opent, in samenwerking met de National Gallery, de grote tentoonstelling over de laatste jaren van Rembrandt. Eerst in Londen en dan, vanaf 12 februari 2015 in Amsterdam. Ook die expositie, de eerste grote Rembrandt-tentoonstelling in meer dan twintig jaar, mag je zien als een dienst aan de natie, vindt Pijbes: „Elke generatie Nederlanders heeft recht op zijn eigen Rembrandt-tentoonstelling.”

    • Raymond van den Boogaard