‘Ik kon al jong goed observeren’

Janka Stoker

(43) is hoogleraar leiderschap en organisatieverandering.

Foto Maurice Boyer

Inborst

„Het was voor mij vanzelfsprekend dat ik psychologie zou gaan studeren. Gedrag van mensen heeft me altijd gefascineerd. Volgens mijn moeder kon ik al jong goed observeren. We hadden een buurjongen die niet helemaal in orde was. Toen ik drie jaar was, vroeg ik: wat is er toch met hem? Op de middelbare school liep ik een dag mee met een organisatiepsycholoog van de Gasunie. Hij liet me zien hoeveel er tussen mensen op de werkvloer gebeurt. Toen wist ik dat ik me met het gedrag van gezonde mensen wilde bezighouden, dat daar ook nog veel aan te analyseren en verbeteren valt.”

Zoektocht

„Ik laveer tussen wetenschap en bedrijfsleven. Mijn moeder was wetenschapper, maar ik was eigenlijk niet van plan haar voorbeeld te volgen. Voor mijn afstudeerscriptie deed ik onderzoek bij KPN Research, dat vond ik zo leuk dat ik concludeerde dat ik dan ook echt onderzoek moest gaan doen. Na mijn promotie was ik nieuwsgierig naar de praktijk. Wat wordt er gedaan met al die kennis? Ik werd consultant bij Berenschot, tot ik de universiteit begon te missen. De rode draad is mijn wens nieuwe kennis te ontwikkelen en er ook iets nuttigs mee te doen.”

Fascinatie

„Zelfoverschatting vind ik een van de meest boeiende onderwerpen. Iedereen overschat zichzelf, zo vindt 80 procent van de mensen zichzelf een bovengemiddelde bestuurder. Dat geeft ons zelfvertrouwen. Maar voor leidinggevenden is het een probleem, omdat het verandering in de weg zit. Op de werkvloer is er vaak een groot verschil tussen hoe leidinggevenden denken te functioneren en hoe medewerkers dat zien. Als een baas denkt dat hij zijn mensen geweldig aanstuurt, maar die ervaren dat anders, gebeurt er niets.”

Overtuiging

„In het tempo waarin vrouwen nu de top bereiken, kan ik wel overleden zijn voordat 30 procent van de topposities door vrouwen wordt ingenomen. Mensen waarderen een combinatie van vrouwelijk en mannelijk leiderschap, en het is effectief, blijkt uit mijn onderzoek. Maar het beeld van de ideale leider blijft hardnekkig masculien. Directief, daadkrachtig. Dat stereotype denken verschuift pas als een substantieel deel van de leidinggevenden in een organisatie vrouw is. Neelie Kroes zei: ‘Ik ben trots dat ik het gevolg ben van een quotum.’ Dat vind ik mooi. Ik voel wel voor een quotum. We hebben veel voorbeelden nodig.”

Beleving

„Als adviseur werd me vaak gevraagd: heb je zelf ooit leiding gegeven? Ik vond dat een onzinvraag, moet een gynaecoloog zelf een vrouw zijn? Maar toen ik werd gevraagd als vicedecaan dacht ik: nu kan ik ervaren hoe het voelt. Veel van wat ik weet uit studies heb ik nu persoonlijk ondervonden. Hoe goed het voelt om directe invloed te hebben: je bedenkt samen iets en een jaar later is het er. Maar ook hoe moeilijk het is mensen te confronteren met wat ze niet goed doen en hoe anders mensen je bejegenen zodra je macht hebt. Met meer afstand, maar ook meer confronterend: ‘En wat denk jíj hier aan te gaan doen?’”

Tegenwicht

„Mijn kinderen hebben balans in mijn leven gebracht. Zij dwingen me soms niet te werken, mijn perspectief te verbreden. Mijn werk betekent veel voor me, maar uiteindelijk is die rottige vergadering snel vergeten na een verhaal over een spreekbeurt of wie er ruzie heeft met wie. Natuurlijk geeft het combineren van werk en kinderen soms praktische problemen. Af en toe voel ik me schuldig dat ik iets van ze moet missen. Ik ervaar dat niet als getob, maar als relativering dat er meer in het leven is dan werk.”

Droom

„Na mijn vicedecanaat wil ik een leiderschapsinstituut beginnen waar onderzoek wordt gedaan dat zowel voor de universiteit als organisaties interessant is. Waar managers terechtkunnen voor onderwijs, niet zweverig, maar gebaseerd op empirie. De brug tussen beide werelden is voor mij helder, maar in de praktijk alles behalve vanzelfsprekend. De noodzaak van externe financiering dwingt de universiteit tot samenwerken. Welke vragen leven bij bedrijven en organisaties waarbij de wetenschap kan helpen? Met die vraag ga ik komend jaar het land in.”

    • Brenda van Osch