‘Ik ben niet interessant, m’n leven is bijna voorbij’

In deze rubriek dit keer geen interview, maar een verhaal – een waar gebeurd verhaal. Omdat het bijna kerstmis is.

Illustratie Frank Dam

Alleen bij tegenprestatie geef ik geld, als iemand me daarom vraagt op straat. Een orgelman krijgt 20 of 50 cent, soms een euro – ’t is maar net wat ik in m’n portemonnee vind. Straatorgels zijn onderdeel van ons cultureel erfgoed; moet je zuinig op zijn.

Straatmuzikanten beloon ik naar de mate waarin hun muziek me raakt. Blowing in the wind op gitaar krijgt niks. Te makkelijk. Twee violisten zijn goed voor twee euro, ook omdat ik die helaas zo weinig tegenkom.

Aan levende standbeelden, van uitzinnig uitgedoste glitterfiguren, geef ik geen cent. Ga iets dóen! Alleen maar ‘je hand ophouden’ doet me evenmin de portemonnee trekken. Ik vind ’t mensonterend. We leven in een wanstaltig rijk land; niemand zou tot bedelen veroordeeld moeten zijn. Wie dat wel doet, is sociaal en/of mentaal ‘beperkt’ (ik zocht een vriendelijk woord). Deze mensen mogen we niet aan hun lot overlaten. En dat doen we wél als we hun zomaar een aalmoes in de hand stoppen.

Ik heb een uitzondering gemaakt op deze regel. Dat kwam zo.

Ik liep van een station naar het centrum van een stad, vorige week. Op de brede stoep stond een vrouw stil: gekleed in lichtgrijs jack, bril en gebreid mutsje op het hoofd, boodschappentas aan de arm. Ze leek een beetje op wijlen koningin Juliana (over wie Godfried Bomans ooit schreef dat zij leek op alle vrouwen die bij Hillegom op de bus staan te wachten). Ik naderde haar, bekeek haar, we kregen oogcontact.

Toen ik vlakbij haar was, deed ze een stap in mijn richting, op haar gezicht verscheen een glimlach. Ik dacht: oude vrouw wil de weg vragen. En inderdaad, ze had een vraag: „Kunt u me geld geven voor een kopje koffie?”

Ik bekeek haar jas. Niks mis mee, geen vuil of vlek te zien. Ik vroeg: „Kunt u zelf geen kopje koffie betalen?” „Nee”, zei ze: „Ik woon tijdelijk bij het Leger des Heils. ’s Ochtends om half acht moet je naar buiten, ’s avonds om half zes mag je weer naar binnen.”

Een paar minuten praatten we op straat wat heen en weer. Ze vertelde dat ze 75 jaar oud was. In V., waar ze woonde, was ze enkele weken geleden uit haar huis gezet. Huurschuld. Familie, vrienden? „Ik heb niemand op wie ik kan terugvallen.” Niemand? „Nee, niemand. Ik had één dochter. Die is vier jaar geleden overleden.”

Mij schiet een interview met Simon Carmiggelt (precies honderd jaar geleden geboren) in herinnering. Hij vertelde over een echtpaar dat ruzie kreeg in de lobby van een hotel, „waarna die man een asbak van tafel griste en naar het hoofd van zijn vrouw gooide”. De interviewer: „Wat vreselijk!” Carmiggelt: „Nee hoor, ik dacht: daar zit een stukje in”.

Ik zei: „Ik geef u geen geld voor koffie, maar ik wil wel een kopje koffie met u drinken”. Dat vond ze goed. Tien meter verder hing een bord van een hip koffiemerk aan de gevel. Het bleek een grillrestaurant te zijn, Los Torros. Je kon er ook alleen maar koffie bestellen.

„O”, zei de vrouw, „hier heb ik gisteren gratis een kopje koffie gekregen”. De ober herkende haar, begroette haar met een lachend gezicht. „O meneer”, zei ze, „u was gisteren zo aardig voor mij. Ik heb een kerstkaart voor u gemaakt. Alsjeblieft”. Terwijl de ober koffie haalde, zei ze: „Bij de nachtopvang kun je ’s avonds kerstkaarten maken: knippen en plakken – van een paar oude kaarten maak je een nieuwe”.

Ik zeg: „Ik ben een journalist. Ik zou een stukje willen schrijven over uw leven na het overlijden van uw dochter. Zou u mij daarover willen vertellen, voor de krant?”

Haar ogen vonken. „O nee, geen denken aan! Mijn leven is bijna voorbij. Je moet met jonge mensen gaan praten die hier even verderop dag en nacht op straat leven. Die hebben ’t vreselijk. Ik ben niet interessant”.

De koffie komt, een woordenstroom volgt. Ze was 18 jaar toen haar dochter werd geboren. De vader van haar kind was 17 jaar; geboren in Nederlands-Indië, waar zijn moeder was verkracht en bezwangerd door een Japanse militair, getraumatiseerd was hij, na jarenlang verblijf in een Jappenkamp. Hij heeft zelfmoord gepleegd toen hij hoorde dat hij een meisje zwanger had gemaakt.

Waar gebeurd? Ik kon haar verhaal niet controleren. Ik lette erop of ze geen verwarde indruk maakte. Af en toe vroeg ik naar een jaartal, een plaatsnaam. Ontstond uit haar losse verhalen een consistent beeld? Niets wekte mijn argwaan.

Ze vertelde dat haar dochter was grootgebracht door haar ouders. Zelf had ze bijna 25 jaar voor Unicef gewerkt: hulp aan kinderen in honger-, conflict- en oorlogsgebieden. Ze werd uitgezonden, voor zes weken, drie maanden, zes maanden. Terug in Nederland kon ze dan weer bij haar ouders en haar dochter wonen.

Ze noemde een hele reeks landen waar ze had gewerkt. Het had haar een scherpe blik op ontwikkelingshulp opgeleverd: „Weet je wat de redding voor veel mensen is? Dat ze niet geboren zouden worden”. Ze had met eigen ogen gezien hoe aids zich verspreidde in Afrika. „Kreeg een man een vriend te logeren, dan zei hij uit gastvrijheid: slaap jij vannacht maar bij mijn vrouw. Wisten zij veel, zo ging dat daar al eeuwen. Alleen, nu gaf je daarmee aids door.”

Ze had in Gambia gewerkt. „Hadden vrouwen de pil gekregen, voor drie maanden. Zeiden ze tegen elkaar: ik heb een medicijn gekregen tegen zwangerschap, hier, neem maar de helft van mij. Binnen drie maanden waren ze allemaal weer zwanger. Zogenaamd geven we hulp, maar we snappen niks van die culturen, van die landen, van die mensen daar.”

Dertig jaar geleden was ze gestopt met haar werk in het buitenland. Hoe ze daarna de kost had verdiend? „Werkster, huizen schoonmaken, stom werk.”

Ik vraag of haar leven is veranderd na het overlijden van haar dochter. Ze zegt: „Ze belde me iedere week. Na haar dood is de telefoon bij mij zowat nooit meer gegaan.”

Ze springt overeind en zegt: „Zo, bedankt voor de koffie, ik moet naar buiten, op één kopje koffie kom ik de dag niet door. Prettig kerstfeest.”

Mislukt, denk ik. Ik moest me schamen.

Gijsbert van Es

Reacties via nrc.nl/hetnabestaan Twitter: #nrc #hetnabestaan

    • Gijsbert van Es