Hoezo, dan verkopen we toch gewoon de boot?

Het Koninklijk Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee dreigt zijn enige schip voor zeeonderzoek niet meer te kunnen betalen. Directeur Henk Brinkhuis probeert het schip drijvende te houden.

foto andreas terlaak

Wat is het NIOZ? Weet u het? Ooit antwoordde iemand op die vraag: „Nee, is het vriendelijk voor mijn handen?” Henk Brinkhuis vertelt het geamuseerd. Het NIOZ, wereldberoemd op Texel, grapt hij. Hij is er nog niet zo lang directeur, sinds oktober 2011.

Het NIOZ is het Koninklijk Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee, een instituut voor toponderzoek dat onafhankelijk is van de universiteiten en direct valt onder de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO). Het NIOZ heeft een kleine vestiging in Yerseke; de hoofdvestiging zit op Texel. Kom je van de veerboot naar Texel af, dan is het een paar honderd meter naar rechts. Een paar honderd meter glibberen, in februari. Het heeft gesneeuwd, het vriest, maar daar heeft Brinkhuis geen last van: hij is op de polen geweest om onderzoek te doen, dit stelt niks voor.

In zijn trui loopt hij tussen de gebouwen door. Een pak, met stropdas en zo, draagt hij sowieso niet. Meestal is het: spijkerbroek, overhemd, leren jack en puntige slangenleren laarzen – ja, ook als hij bij een ministerie op bezoek moet. Opsmuk en uiterlijk vertoon passen hem niet, behalve misschien als het om snelle auto’s gaat. Hij is ontwapenend direct en doorspekt zijn zinnen met wetenschaps-Engels. En, waar hij dat nodig vindt, met ‘fucking’ dit-of-dat. Als het gaat over de manier waarop onze regering met wetenschap omgaat, of hoe sommige journalisten over klimaatwetenschap schrijven, vindt hij dat vaak nodig. Sinds zijn studie geologie is hij gegrepen door de wetenschap. Door de manier van denken, het werk, het belang ervan – en, zo lijkt het, ook gewoon door de gezelligheid van wetenschappers onder elkaar.

Maar nu legt hij eerst uit wat je aan de zee zoal kunt onderzoeken. En waarom dat belangrijk is: „Kort door de bocht: het land is af, met de oceanen gaan we nu beginnen. Die worden straks in stukjes verdeeld: hier gaan we aan deep sea mining doen; dit wordt een een transportroute; hier komen baggergebieden, windmolenparken, zeeboerderijen, viswateren... en dan moet er af en toe nog een pro forma natuurparkje zijn. Nederland moet zijn kennis over de zee kunnen opbouwen, want de komende vijftig jaar zullen in het teken staan van de oceanen.”

Dus stort het NIOZ zich op, onder meer, de thermodynamica van de oceaan, de ecosystemen, het ‘klimaatarchief’ in de oceaanbodem. Dat laatste is Brinkhuis’ specialisatie: als je monsters klei in een lange metalen buis uitstanst, kun je zien wat er in welk laagje klei leefde en wanneer (de oudste lagen zitten onderin). Daaruit is af te lezen hoe het klimaat indertijd geweest moet zijn. Brinkhuis stond aan het hoofd van de onderzoeksteams die ontdekten dat het ruim 50 miljoen jaar geleden aangenaam warm was, zo’n 23°C, op de noord- en de zuidpool. Ze vonden fossielen van palmbomen en apenbroodbomen. Zulke klimaatreconstructies zijn belangrijk omdat ze worden gebruikt in voorspellingen voor klimaatverandering. De resultaten haalden sinds 2006 diverse malen Nature en andere toptijdschriften.

Wetenschapper worden, zegt hij, „komt uit je hart en ziel”. Maar ook organisaties die ten dienste staan van de wetenschap, zoals het NIOZ, moeten geleid worden. Iemand moet dat doen. „Anders gaat Hendrik-Jan de tuinman voor jou de beslissingen nemen.” Brinkhuis is wel nog steeds deeltijdhoogleraar in Utrecht. Als hij over onderzoek praat, verdwijnt de lichte ironie die bijna voortdurend op de achtergrond aanwezig is als hij het heeft over beleid, politiek, gedoe met geld. Wetenschap, klimaat: dat zijn de serieuze dingen.

Hij laat de instrumentmakerij zien, waar gespecialiseerde apparatuur en onderdelen worden bedacht en gemaakt. De grote bakken, buiten, waar zeewier in groeit: het begin van het zeewiercentrum dat half april 2014 geopend wordt. Even verder staan zeecontainers met onderzoeksmaterialen. Die kunnen verscheept worden van en naar de Pelagia, het enige zeewaardige onderzoeksschip van het NIOZ. Het enige van Nederland, trouwens. Internationale gezelschappen van wetenschappers doen daarop samen hun onderzoek. Een schip van 66 meter, er kunnen 24 wetenschappers tegelijk slapen, „dan liggen ze wel een beetje bovenop elkaar”. De Pelagia vaart, als u dit leest, in de Caraïbische zee.

Maar dat schip is een probleem. Nederland bezuinigt op wetenschap, en dus bezuinigt NWO, en dus het NIOZ. Jaarlijks gaan er hapjes geld van het budget af. Maar zo’n schip, dat is één grote hap – die nu niet meer binnen de begroting voor 2014 past.

Mei

Een zonnige voorjaarsdag. Brinkhuis heeft een afspraak bij NWO in Den Haag; we eten een broodje in de NWO-kantine. Hij betaalt, want dat kan alleen met chipknip en die moet je maar net opgeladen hebben. Het gesprek gaat meteen over geld.

Instituten als het NIOZ (Nederland heeft er acht) krijgen jaarlijks een basisbedrag van NWO; het NIOZ krijgt bijna 15 miljoen euro. Daar moeten circa 200 voltijds arbeidsplaatsen van betaald worden. „Dat kan eigenlijk al niet”, zegt Brinkhuis. Een gemiddelde werknemer kost een ton per jaar aan salaris, werkruimte en alles. En een deel van de Pelagia moet ook uit die 15 miljoen worden betaald. Om extra onderzoeksgeld te krijgen (de totale omzet van het NIOZ is zo’n 35 miljoen), strijden de wetenschappers om geld van NWO of uit Europa, of ze zoeken geld bij het bedrijfsleven. Vanwege het zogeheten ‘topsectorenbeleid’ van kabinet Rutte-I moet ook voor een deel van de NWO-beurzen worden samengewerkt met bedrijven. „Maar die willen dan onderzoek als: hoe krijg je een scheepsschroef efficiënter? En liever niet publiceren – het zijn toch hun geheimen.”

Toch is Brinkhuis „niet vies” van samenwerken met bedrijven. Moet ook wel, zegt hij, want dankzij Rutte-I moet het instituut de komende jaren structureel bezuinigen. Bovendien is het NIOZ net overgegaan van een klassieke financiële administratie naar een digitaal systeem. „En nu blijkt plotseling dat we over 2012 een verlies moeten aftikken. 2013 ziet er ook beroerd uit. Wil jij nog koffie?” Hij haalt koffie.

En dan is er dus nog het schip, de Pelagia. „Daar komen we flink tekort op. En het probleem met zo’n schip is: je kunt geen half schip hebben. Dat klinkt lullig, maar veel mensen begrijpen dat niet. Zo van: dan leg je ’m toch een half jaar aan de kade? Het punt is: als je dat schip in bedrijf wil hebben, met alle veiligheidsmaatregelen daaromheen, dan moet je altijd een ervaren crew beschikbaar hebben, in tweevoud. Of hij nu vaart of aan de kade ligt: zo’n ding kost 12.000 tot 14.000 euro per dag. En dat schip is ook de Nederlandse toegang tot andere schepen: we kunnen wel met andere landen meevaren, maar dan moet je ook zelf wat kunnen bieden. En wie ben ik, maar de Nederlandse natie zonder zeegaand onderzoek, die kan ik me niet voorstellen.” Die toestand met dat schip, verzucht hij, is symbolisch voor hoe de Nederlandse regering met wetenschap omgaat. „Die houding van: dan verkopen we toch gewoon de boot?”

Houdt hij eigenlijk van dat gepuzzel met geld? „Nee. Nou ja, goed, creatief over oplossingen nadenken vind ik wél leuk. Bijna een wetenschappelijk probleem.” Maar wat hij écht leuk vindt aan zijn werk: „Dat we in de afgelopen drie weken, met mijn Utrecht-mensen erbij, vier high impact-artikelen in Nature, Nature Geoscience, Science en PNAS kregen.” Toptijdschriften. „Dat is waar je het voor doet, voor die jonge mensen ook. En in de rol waarin ik nu zit, verbeeld ik mezelf dat ik dat mogelijk maak.”

Juli

De jonge Oostenrijkse scheikundige Sabine Lengger promoveert in Utrecht op onderzoek dat ze deels op de Pelagia heeft verricht. Ze ontdekte dat van bepaalde eencelligen de resten goed bewaard blijven in de oceaanbodem, terwijl resten van andere eencelligen snel verdwijnen als die dood zijn. Dat betekent dat kleimonsters uit de oceaanbodem nu nóg beter gebruikt kunnen worden als ‘paleothermometer’: om de temperatuur op aarde en in zee van miljoenen jaren geleden te reconstrueren. Brinkhuis zit in de promotiecommissie.

Twintig minuten nadat het ‘hora est’ heeft geklonken, heeft hij zijn hoogleraarstoga weer voor zijn gewone ruige kloffie verruild. In café de Vingerhoed aan de Donkere Gaard legt hij uit: „Je kunt op twee manieren proberen het klimaat te voorspellen. Met modellen: als je denkt te snappen hoe bepaalde processen verlopen, stop je die in een computerprogramma en dan extrapoleer je ze. Of je gaat terug naar het verleden, toen het van nature warmer of kouder was. Toen was de aarde wel anders, maar het is écht, geen computerspelletje. Je moet dan wel goed kunnen meten.” Daar ging die promotie over.

Brinkhuis vertelt hoe hij in zijn vakgebied is beland. „Ik zou naar de filmacademie gaan, mijn vader maakte ook films, maar op het laatste moment ben ik uit een soort rebellie geologie gaan doen. Ook omdat je dan vaak naar het buitenland kon. Ik ben deels in Zwitserland opgegroeid, mijn moeder was daar na de oorlog als hongerkindje naartoe verscheept om aan te sterken. Vakanties gingen dus altijd naar Zwitserland. Op mijn vierde stond ik al op de ski’s. Die bergen, daar komt mijn gevoel voor geologie vandaan.”

De colleges vond hij saai. „Maar daarna mag je op veldwerk. In die tijd scheurde de professor dan letterlijk een deel van de kaart van Italië voor je af. Ik kreeg 600 vierkante kilometer bij Piemonte.” Die moest hij in kaart brengen: luchtfoto’s, rondrijden, lopen, veel lopen. Hij ‘kampeerde’ in huizen die een lokale makelaar aan het opknappen was. „Dan leer je mensen kennen. En in Italië geldt: als je er één kent, ken je er tien, als je er tien kent, ken je er honderd.”

Op zeker moment stonden mensen erop dat hij bij hen in huis kwam. Had hij er een familie bij. „Een maand lang elke ochtend met de moeder naar de markt. Daar heb ik geleerd dat smaak rechtstreeks een functie is van de dynamiek van het landschap.” Hij gebaart met handen en bierviltjes de landkaart van Italië op tafel. „Je zit vlak aan zee, dan ga je steil omhoog. Alle regen valt dáár; deze kant van de bergen is kurkdroog. Dus alles wat daar groeit, heeft een enorm geconcentreerde smaak. Eén tomaat van deze kant heeft net zoveel smaak als een hele krat van de andere kant.” En dan die wijnen. „De beste van de wereld.”

Intussen zit het NIOZ echt in de problemen, vertelt hij, dankzij Rutte-I. De instituten op Texel en Yerseke zijn begin 2012 pas gefuseerd. „En met Yerseke kwam ook hun schip mee. Met alle respect: een simpele mosselkotter. Maar dat schip had een driekoppige bemanning, al heel lang. Die hebben we deze week moeten informeren dat we afscheid nemen van hun schip.” Drie potentiële ontslagen, als deze mensen niet herplaatst kunnen worden. En er gaan nog 16 voltijdbanen verloren via natuurlijk verloop. Brinkhuis heeft er buikpijn van. En het verlies van het schip – de Luctor, Latijn voor ‘ik worstel’ – is zeker een grote schok voor Yerseke. „Sommigen zeggen: waarom haal je niet gewoon de Pelagia weg? Maar de Pelagia, daar hangt het hele instituut op, dat is onze raison d’être. Dus gaan we nu een commissie Zeegaand Onderzoek vormen, met een zichtbare oud-politicus met groot gewicht en goede netwerken aan het hoofd.” Die zoeken ze nog.

Hij of zij moet lobbyen bij ministeries, bedrijven, de wetenschap. „Er moet een structureel plan komen hoe de bv Nederland zijn zeegaand onderzoek op lange termijn in de lucht wil houden”, zegt Brinkhuis. NWO heeft beloofd het schip in 2014 en 2015 in de vaart te houden, mits het NIOZ extra topsectorengeld binnenhaalt.

September

Brinkhuis komt uit een bijeenkomst bij het ministerie van Buitenlandse Zaken, waar een Amerikaanse afgevaardigde sprak over het Arctisch gebied. Kon hij meteen uitleggen dat de klimaatverandering daar sneller gaat dan die afgevaardigde dacht. Brinkhuis was vorig jaar op Groenland. „Iedere dag smelt daar een stuk ijs weg en er komt van alles aan de oppervlakte: uranium, zeldzame metalen, goud, zilver, platina. De ene na de andere mining company gaat erheen.”

We zitten bij een koffietentje tussen het ministerie en Den Haag CS. Brinkhuis heeft zijn petje (‘Honda, the power of dreams’) op tafel gelegd. „We hadden het bij BuZa ook over de Arctische belangen van Nederland”, zegt hij. „Nou, als je wat wilt in de Arctic zul je er een presence moeten hebben. Daarom heeft Nederland ook een Antarctisch station: dat is een minimale eis om daar mee te kunnen doen. Je kan niet vanaf de zijlijn staan schreeuwen. Dus om er ook in het noordpoolgebied bij te zijn, moet je als land zo’n schip hebben.”

November

Terug op Texel. We rijden naar Paal 17, een strandpaviljoen bij De Koog. Brinkhuis laat zijn zwarte Honda flink accelereren op het dijkje bij het NIOZ. „Ik heb een toepasselijk muziekje uitgezocht”, zegt hij, en zet Hard Times van J.J. Cale op, de Amerikaanse zanger die afgelopen zomer overleed.

Brinkhuis is somber. Hij heeft eindelijk de échte cijfers van het NIOZ na de overgang naar het nieuwe administratieve systeem. „En het enige lichtpuntje is dat we nu weten waar we aan toe zijn.” Van de ironie waarmee hij in februari nog over geld en beleid sprak, is weinig over. Het topsectorengeld dat de Pelagia in 2014-’15 moet redden, is wél binnen. Maar daarna? De commissie Zeegaand Onderzoek in oprichting, heeft nog geen zwaargewicht als boegbeeld.

Brinkhuis heeft een nieuw wetenschappelijk plan voor het NIOZ geschreven. Aan de ene kant moet onderzoek worden gedaan om de oceanen te beschermen tegen ‘het dodelijke trio’: klimaatverandering, overbevissing, vervuiling. En aan de andere kant onderzoek om de oceanen beter te gebruiken voor voedsel, energie en mineralen, „omdat het land nu eenmaal op is”. Hij wacht nog even voordat hij zijn plan naar buiten brengt. Als er geen extra geld komt, moet hij zijn ambities bijstellen.