Er zijn ineens meer angststoornissen

Psychologen overdrijven de aandoening van patiënten opdat de behandeling wordt vergoed

Man komt bij de psycholoog na akelige vechtscheiding. Hij heeft therapie nodig. Maar hij heeft pech, sinds 2012 worden ‘aanpassingsstoornissen’ – psychische klachten na schokkende gebeurtenissen – niet meer vergoed. Wat doet de psycholoog? Die maakt er een angststoornis van. Of een depressie.

Veel psychologen plakken wel eens een zwaarder stempel op een cliënt dan strikt noodzakelijk, omdat de verzekeraar de therapie dan wel vergoedt. Dat blijkt uit een onderzoek van het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP) door Motivaction, dat maandag wordt gepubliceerd. Meer dan 40 procent van de ruim duizend leden die de vragenlijst invulden, gaf toe de afgelopen twee jaar te maken hebben gehad met ‘omhoog labelen’. Om precies te zijn: ruim 40 procent zei dat zwaarder-dan-nodig-diagnosticeren, door henzelf of door collega’s, hun zorg negatief beïnvloedde. „Fraude?”, zegt NIP-voorzitter Elly Plooij-van Gorsel daarop. „Je kunt het ook creatief noemen. Of noodzakelijk, omdat een cliënt anders van hulp verstoken blijft.”

Het declaratiesysteem werkt het in de hand, vinden veel zorgverleners. Met alleen maar psychische klachten, hoe akelig ook, kun je niet langdurig bij een psycholoog terecht. In ieder geval: niet vergoed vanuit de basisverzekering. Om dat betaald te krijgen, moet je een echte stoornis hebben, met een diagnose uit DSM-IV, het handboek voor psychologen en psychiaters.

De regels worden nog strenger. Om de kosten van de geestelijke gezondheidszorg te beteugelen, zijn hele diagnoses uit het basispakket gegooid. Zoals aanpassingsstoornissen. Verlies van een naaste is naar, is het idee, maar ook iets wat je zelf kunt uitvogelen. Relatietherapie is al uit het pakket, burn-out ook. Vanaf 2014 is de behandeling van bepaalde fobieën, seksuele problemen, en uit de hand gelopen drugs- of drankgebruik uit het pakket. Sowieso: wie alleen maar klachten heeft en geen DSM-stoornis komt helemaal niet meer vergoed bij de psycholoog terecht, maar bij een ondersteuner in de huisartsenpraktijk.

Dat zint veel psychologen en psychiaters niet. Je moet kijken naar lijden, vinden ze, niet naar labels. Zoals Esther van Fenema, psychiater in een academisch ziekenhuis. Creatief diagnosticeren? „Dat is hier de dagelijkse praktijk. Ik stel een diagnose en dan vraagt de financiële administratie of het misschien toch niet een diagnose kan zijn waar wél een vergoeding voor is.” Ze voelt zich er niet goed over. „Je beschaamt het vertrouwen van de patiënt met verkeerde diagnoses. We frauderen met z’n allen.”

Arnoud van Buuren, psychotherapeut en voorzitter van de Nederlandse Vereniging van Vrijgevestigde Psychologen & Psychotherapeuten, weigert mee te doen aan dit systeem, zegt hij, al zoekt hij wel de grenzen op. „Een aanpassingsstoornis heb je in de variant met angst en met depressie. Dan kijk je wel even of je van het bijstukje ‘angst’ of ‘depressie’ de focus kan maken, zodat het wel wordt vergoed.”

Creatief labelen is terug te zien in harde cijfers. In 2011 zat bijna 19 procent met aanpassingsproblemen bij de psycholoog, becijferde de Landelijke Vereniging van Eerstelijnspsychologen. In 2012, na het uitsluiten, halveerde dat tot nog geen 9 procent. ‘Depressies en angsten’ steeg precies van 31 naar 41 procent.

De zorgverzekeraars zeggen dat controle lastig is. Maar de gevolgen kunnen vervelend zijn. Een zware diagnose kan stigmatiseren, of vervelende gevolgen hebben voor het afsluiten van een arbeidsongeschiktheidsverzekering of overlijdensrisicoverzekering.