De druk is heel hoog, vooral bij mezelf

In één jaar speelt ze zowel zombie als sprookjesprinses. Actrice Hannah Hoekstra kreeg vorig jaar een Gouden Kalf en sindsdien gaat het maar door. „Ik wil meteen die sterren van de hemel. Maar dat gaat niet altijd.”

„Het zou goed zijn als de bladen er een gewone foto van mij naast plaatsten.” Foto Andreas Terlaak

Hannah Hoekstra laat twee foto’s van zichzelf zien op haar telefoon. Op de ene is ze onherkenbaar; een soort veenlijk, met blauwwit verkleurde armen en benen en holle oogkassen. Doorweekt en besmeurd met modder en drek, is ze zojuist morsdood uit een kanaal gevist. Ze grinnikt: „Vier uur in de visagie! Hierna moet ik in het riool nog een soort van alienbaby baren.”

Op de ander poseert ze met roze appelwangen en een perfecte parellach, gehuld in een glinsterende babyblauwe baljurk, „met zúlke hakken! En haar tot op mijn reet en daaronder”. De eerste foto is uit juli, de tweede van oktober. 1 januari zendt RTL4 de tv-film Assepoester uit, waarin Hoekstra de hoofdrol heeft. En in 2014 komt ook horrorfilm The Canal uit, haar eerste internationale speelfilm. Hoewel ze tegensputtert bij het woord ‘eerste’. „Dat suggereert dat het mijn grootste wens is om internationaal door te breken. Maar spelen, zoveel mogelijk, dát is mijn doel. Wil iemand mij hebben? Oké! Ik wil het gewoon allemaal doen. Hup, leren. Gáán!”

In maart barst het los. Dan is ze in de bioscoop te zien als motorrijdende heldin in actiethriller App, die door het innovatieve concept internationaal aandacht krijgt. In april valt ze op als vrijgevochten minnares in de serie Volgens Robert. In mei zijn de opnames van de korte film Scooterdagen, in juni voor kinderfilm Mees Kees op kamp.

Tussendoor opent Hoekstra een winkel van modeketen Topshop, en krijgt ze een eigen Tegel in de Walk of Fame in Utrecht. En er zijn de fotoshoots, voor JAN – „in New York! Hoe vet!” – in maart, Linda (mei) en Elle (juli). Daarnaast maakt ze (trekt een serieus gezicht en zet een lage stem op) „diepgravend theaterrrrr”: de voorstelling Nieuwspoort bij Het Nationale Toneel. Aan dat gezelschap is ze per 2013 voor tenminste twee jaar verbonden. „Wat een zegen dat ik dit allemaal mag doen.”

Kinderlijke fantasie

Hoekstra (26) praat veel, fel en vrolijk. Ze gebruikt geregeld een krachtterm (schijt, vet of kut) en geeft al haar woorden bij het uitspreken extra effect: pats! Vaak raakt ze verstrikt in haar drukke, associatieve gedachtestromen – geen zin wordt netjes afgerond. „Mijn moeder zegt altijd: je hebt een beetje moeite met omgaan met energie. Soms barst het er gewoon uit. En als die kraan eenmaal openstaat... Ik heb als kind vaak op de gang gestaan.” In acteren kan ze haar energie kwijt, denkt ze. En een soort kinderlijke fantasie, die nooit is verdwenen toen ze volwassen werd.

Het is een „raar, hectisch jaar”. Het jaar na haar Gouden Kalf voor Hemel – haar eerste speelfilm – meteen gevolgd door verschillende internationale prijzen. Het blad Variety noemde haar een ‘stunning newcomer’. En dan? „De druk is heel hoog. Vooral bij mezelf. Ik wil meteen die sterren van de hemel. Maar dat gaat niet altijd. Ik moet proberen ook bevrediging te halen uit het werkproces, en uit mijn groei.”

Intussen zijn er de rode loper-premières, en is er veel aandacht van sites en bladen. Hoekstra, bij voorkeur gehuld in spijkerbroek, slobbertrui en All Stars, met warrig haar en vrijwel zonder make-up, moet eraan wennen. „Het is zo’n kermis!”

De première van App is in maart, een dag nadat ze is terug is uit New York. Ze heeft een „mega-jetlag” en geen jurk. Van een pr-bureau leent ze een toepasselijk futuristisch ontwerp van Marga Weimans. „Loeistrak! Ik was godsblij dat ’ie paste.” Maar als ze bij de kapper zit in de Bijenkorf gaat het mis; de rits gaat stuk. „En ik was al te laat! Toen heeft een lief mannetje van de Bijenkorf me er maar gewoon in genaaid. Ik kon niet meer naar de wc.”

Hoekstra moet rennen naar Tuschinski; taxichauffeurs vinden het ritje te kort. Om de hoek van de bioscoop verruilt ze haar gympen voor hakken en kan ze nog net semi-elegant langs RTL Boulevard schrijden. Ze zucht. „Kan niet iemand anders die rode-loperdingen voor mij doen?”

En dan die shoots. „Eén grote verkleedpartij. Zo’n fotoreportage kan echt mooi uitpakken, maar het lijkt voor geen meter op mij. Het zou goed zijn als de bladen er een gewone foto van mij naast plaatsten: dit is het, en zo ziet ze eruit als we er poeder op doen en haar een Chanel-onderbroek aantrekken. Het heeft niks met de realiteit te maken. Het is kunst. Die pakjes die ik aan heb kan ik zelf niet eens betalen.” Bij een shoot voor Linda staat ze een beetje te klooien met een armband. Lachend: „Zie je zo’n styliste wit wegtrekken, want die armband kost 50.000 euro. Hang mij dat dan ook niet om! Dat wil ik toch helemaal niet!”

Maar de JAN-shoot in maart is een „vet knalfeest”. Plus: het bezoek aan New York levert een Amerikaanse agent op. „App en Hemel stonden in Variety, en dat creëerde wat belangstelling.” Hoekstra mag langskomen bij Innovative Artists. „Bere-interessant natuurlijk. Ik dacht: ik zie het wel. Ik had geen reet te verliezen. Ik heb heel gewoon een shirtje en een broek aangetrokken, zo van: dit is het, jongens. Als je dat niet wilt, moet je het niet doen.”

Bij thuiskomst vergeet ze het gesprek direct weer. Maar dan komt er een mail: ‘We would be happy to represent Hannah’. „Dus ja, nu heb ik een Amerikaanse agent.” Of drie, om precies te zijn; twee in New York en één in Los Angeles. „Maar moet je dat nou zeggen in de krant? Het is echt nog helemaal niks.”

Hoekstra lacht hard om het eerste script dat ze in het voorjaar kreeg toegestuurd. Met zwaar Amerikaans accent: „Hercules 3D! Niet echt iets voor mij.” Later volgt de vraag of ze een tape van zichzelf wil sturen, „voor één of andere zeemeerminnenfilm. Maar toen zat ik net middenin Nieuwspoort.” Haar Nederlandse agent adviseert: laat deze maar even zitten. „Ik had het mega-druk, en het was niet bepaald de nieuwe Coen Brothers.”

Op het Subtitle Festival in Kilkenny eind november voert ze wel nog gesprekken met zes internationale casting directors. „Onder wie Avy Kaufman, omg!”, mailt ze. Dé casting director voor onder anderen Steven Spielberg dat is toch wel „bere-spannend.”

Low budget arthouse

Maar we moeten ons bij zo’n internationale carrière niet te veel voorstellen, relativeert Hoekstra. Neem The Canal. Dat is een „super low budget arthousefilm: draaidagen van zeven uur ’s ochtends tot tien uur ’s avonds. En ik moest mooi zelf in dat kanaal gaan liggen. Ik ben de beroerdste niet en ik hou niet van zeiken, dus kaken op elkaar; let’s do it. Maar het was fokking koud.”

Van half juni tot half juli woont ze vier weken in het O’Callaghan Mont Clare Hotel in hartje Dublin, waarvan ze veertien dagen moet draaien. De makers benaderden Nederlandse actrices voor The Canal, omdat de film deels met Nederlands geld zou worden gemaakt. Als die subsidie niet doorgaat, wil regisseur Ivan Kavanagh nog steeds graag met ‘dat ene meisje’ werken. „Heel weird, ik had één keer met hem geskyped. De eerste dag was ik zó zenuwachtig. Nieuw land, nieuwe stad, andere taal. Ik wist niks, kende niemand. Het is als in het zwembad springen en je kan niet met het trapje. Je moet meteen: plons! En dan ben je ook in één keer ‘door’.” Smaakt de ervaring naar meer? „Jaha! Zoals spelen voor mij altijd naar meer smaakt.”

In augustus begint Hoekstra aan de voorstelling Nieuwspoort bij het Nationale Toneel; het debuut van de nieuwe jonge garde aldaar. De materie – politiek Den Haag – is zwaar. Het werkproces pittig: vlak voor de première wordt schrijver en regisseur Casper Vandeputte ziek. „Toen voelde ik me wel even een in de steek gelaten kuikentje. De bodem onder onze taart viel weg.” De vier acteurs zetten alles op alles om de voorstelling door te laten gaan. „Stoppen was voor ons geen optie. Dan maar met geheven zwaard ten onder.”

Op de dag van de première, 20 november, is de voorstelling nog niet helemaal af. Die avond is het spelen „puur overleven”. „Na afloop was ik kapot. Totaal uitgeput en stoned van de adrenaline en een half glas champagne. Ik zat de hele avond gevaarlijk dicht tegen janken aan.” Maar al de volgende avond hervindt ze haar spelplezier. „Mooi aan toneelspelen is dat je samen ademt met de zaal. Je voelt of mensen wel of niet meegaan en soms lukt het om ter plekke bij te sturen. Dan groei je tijdens het spelen. Dat geeft een enorme kick.”

De opnames voor Assepoester moeten tussen het repeteren voor Nieuwspoort door. „Bizar. Zat ik helemaal in politiek Den Haag, moest ik opeens paardrijden in een baljurk. Ik vond de tegenstelling verwarrend: enerzijds het engagement van Nieuwspoort, anderzijds zo’n RTL-filmsprookje. Is dat niet opportunistisch? Maar nee, want ik leer weer heel andere dingen. Als Assepoester moet ik zes paarden uit een brandende stal redden, op zúlke hakken, terwijl die beesten steeds maar op mijn jurk gaan staan. En dan wel goed blijven spelen. Meesterlijk. Van film leer je fantastisch multitasken.”

    • Herien Wensink