De droomboot De

Tussen Indonesië en Christmas Island in Australië zit 300 kilometer wilde oceaan. Meer dan duizend bootvluchtelingen stierven al tijdens de overtocht. Toch blijven nieuwe migranten het proberen, onder erbarmelijke omstandigheden. „De mannen plasten in de romp, de vrouwen in hun broek.”

Tekst Luke Mogelson, foto’s Joël van Houdt

Normaal gesproken is het ongeveer tweeënhalf uur rijden van Jakarta naar de zuidkust van Java. In één van de vele vrachtwagens die de rit elke maand maken, volgeladen met asielzoekers uit het Midden-Oosten en Centraal-Azië, duurt het wat langer.

Vanuit de achterbak van de truck is het zicht beperkt. In het donker zie je alleen flarden van hoge gebouwen, viaducten, verkeersborden en tolhuisjes. Van de menselijke vracht is niet veel meer waar te nemen dan de vage vormen van lichamen en de dansende lichtjes van sigaretten. Maar als je onder een straatlantaarn doorrijdt, of al is het maar een verlicht billboard, zie je verwachtingsvolle blikken.

Na verloop van tijd is er steeds minder dat doet denken aan de stad. Elektriciteitskabels maken plaats voor palmbomen. Je begint vogels te zien. En je kunt de zee ruiken.

Een paar maanden geleden zat ik in zo’n truck tegenover een pas getrouwd stel – twintigers – uit Teheran. De vrouw, zeven maanden zwanger, droeg een rode blouse strak over haar buik. Haar man had een T-shirt zonder mouwen, een bril met dikke randen en een kleine hanenkam, met daaronder een hoekig litteken. Een cadeautje van de Iraanse politie, zei hij.

Twee maanden geleden vlogen ze naar Jakarta. Dit was hun vierde poging om te vluchten. Twee keer eerder waren ze op weg naar een boot die hen naar Australië zou brengen. Maar ze werden aangehouden, vastgezet, en moesten smeergeld betalen. Een andere keer zonk de boot kort na vertrek. Toch geloofden ze dat het deze keer anders zou lopen. „Vanavond gaat het lukken”, verzekerde de echtgenoot me. Ze waren vastbesloten dat kun kind „daar” zou worden geboren.

Tijdens onze rit viel er een krachtige tropische regenbui, die in golven naar beneden leek te komen. Elke asielzoeker had een kleine tas meegenomen met reservekleren en proviand. Degenen die een regenjas hadden, haalden die tevoorschijn. De storm was korte tijd wel vermakelijk, daarna was het alleen koud en akelig. De kinderen – ze waren eerst nog opgetogen over ons stiekeme vertrek uit de stad – klampten zich vast aan hun ouders. Naast me zat een oude man met een vuilniszak boven zijn hoofd. Hij rilde onbeheerst en murmelde gebeden.

Rond drie uur in de ochtend remde de vrachtwagen en keerde om op een zandweg met diepe voren. De regen was gestopt zoals die was begonnen: abrupt. Niemand die iets zei. We wisten dat we op onze plaats van bestemming waren aangekomen. De achterklep ging open en we stroomden naar buiten. Achter ons was een tweede truck geparkeerd waaruit ook mensen tevoorschijn kwamen. We bevonden ons in een dicht begroeid stuk oerwoud, de maan was daardoor niet goed zichtbaar.

Een aantal Indonesiërs dreef de kudde bij elkaar en spoorde ons fluisterend aan te blijven lopen. „Go! Go!”, zeiden ze in het Engels. De weg leidde naar een steile helling en eindigde bij een smal voetpad. Terwijl mensen in het donker struikelend vooruit gingen, werden ze door de Indonesiërs verder opgejut. Aan het einde van het voetpad was een strand. Achter de bomen leek het witte zand te gloeien. Hier, aan de rand van de jungle kropen de asielzoekers bij elkaar.

In het water dobberden twee kleine bootjes met buitenboordmotoren in de golven. En toen begonnen de Indonesiërs plotseling mensen de zee in te werken.

„You, you. Go!”

In groepjes van twee, met hun tas boven hun hoofd, waadden de asielzoekers door het water. De koude zee kwam tot hun middels, hun oksels. Het was een worsteling om aan boord te klimmen. Telkens wanneer iemand omhoog gehesen moest worden, helden de bootjes ver opzij en dreigden ze om te slaan.

We werden naar een houten vissersboot gebracht, die iets meer op een schip leek dan de bootjes. Maar niet veel. Met een lengte van zo’n negen meter, een open dek, een dichte boeg, een één-persoons-stuurhut en een bamboestok om het roer te bedienen, was de boot duidelijk niet gemaakt voor passagiers. Ik zag dat er geen hutten waren, geen brug, geen scheidingswanden of banken en vroeg me af of iemand hetzelfde hoopte als ik: dat er ergens verderop een ander, groter schip wachtte en dat dit zielige bootje alleen bedoeld was om ons daar naartoe te brengen.

Met wilde gebaren maakte de tweekoppige Indonesische bemanning duidelijk dat we bij elkaar moesten gaan zitten op het dek. Ze spreidden een zeildoek over ons uit en maakten het aan de randen vast. Samengepakt in de muffe lucht onder het doek, met de knieën tegen de borst, hoorden we dat de motor startte. En we voelden de boot deinen op de golven.

Onze bestemming was Australisch grondgebied, meer dan 300 kilometer over de Indische Oceaan: Christmas Island. Als het weer zou meewerken, en als de boot het zou houden, dan zou de reis normaal gesproken drie dagen duren. Maar de afgelopen tien jaar zijn meer dan duizend asielzoekers hier verdronken, zo wordt aangenomen. Kinderen hebben hun ouders zien verdwijnen, en ouders hun kinderen.

Doodgeschoten op straat

Ik hoorde voor het eerst van de overtocht van Indonesië naar Australië in Afghanistan, waar ik woon. De uittocht van burgers uit dat land wordt gezien als een lakmoesproef voor het succes van de oorlog die daar onder leiding van de VS nu op z’n einde loopt. Vorig jaar vroegen bijna 37.000 Afghanen asiel aan in een ander land, het hoogste aantal sinds 2001. Afghanen die het zich kunnen veroorloven betalen wel 24.000 dollar voor Europese reisdocumenten en tot 40.000 dollar voor Canadese (visa voor de VS zijn over het algemeen niet te koop). Anderen huren smokkelaars in voor een zware tocht over land, van Iran naar Turkije, naar Griekenland, of van Rusland naar Wit-Rusland, naar Polen.

De eerste keer dat de Indonesië-Australië-route aan populariteit won, was voor ‘9/11’. En dat was vooral het geval onder de Hazaren, een overwegend shi’itische etnische minderheid die werd onderdrukt door de Talibaan. Nadat de Talibaan de macht verloren, keerden veel vluchtelingen terug in de verwachting dat er nu vrede zou zijn. Een aantal jaar nam het aantal Afghanen dat bereid was het leven te riskeren op zee af.

Maar eind 2009, nadat de Afghanen uit hun optimistische droom waren gewekt en weer op de vlucht waren geslagen, verhevigde de migratiestroom naar Australië. Tegelijkertijd zagen ook Hazaren in Pakistan, veelal afkomstig uit Afghanistan, zich genoodzaakt te verhuizen. Soennitische extremisten waren daar een sektarische kruistocht tegen hen begonnen. In de Pakistaanse stad Quetta werden gewone Hazaren op straat doodgeschoten, geëxecuteerd en afgeslacht met raketten en bommen.

In 2010 doodde een zelfmoordterrorist meer dan zeventig mensen tijdens een bijeenkomst van shi’ieten. Op de plek van de slachting stond een groot billboard dat was betaald door de Australische regering. Daarop was een afbeelding te zien van een Indonesische vissersboot met Hazarische asielzoekers die in nood verkeerde. In het Dari stond de tekst: „Alle illegale wegen naar Australië zijn afgesloten voor Afghanen.” Het billboard was onderdeel van een campagne van Australië om vluchtelingen te ontmoedigen een poging te wagen om Christmas Island te bereiken.

De meest drastische afschrikkingsmaatregel werd afgelopen juli ingevoerd toen Kevin Rudd, op dat moment premier van Australië, aankondigde dat voortaan geen enkele vluchteling die Australië per boot bereikte zich daar nog zou kunnen vestigen. In plaats daarvan zouden vluchtelingen worden opgesloten en zich uiteindelijk alleen mogen vestigen in het arme Papoea Nieuw Guinea. Enkele weken later werd dit beleid uitgebreid naar een kleine eilandstaat in Micronesië, de Republiek Nauru.

Sindsdien vertrokken er alleen maar meer boten. En meer mensen verdronken. Eind september viel een boot uit elkaar, kort na vertrek uit Indonesië. Tientallen asielzoekers, afkomstig uit Libanon, Iran en Irak, verdronken.

4.000 dollar per persoon

Vanuit Kabul is het verrassend eenvoudig om gebruik te maken van de diensten van smokkelaars, dezelfde smokkelaars die de Australische autoriteiten maar wat graag willen aanhouden. Het probleem was alleen dat elke Afghaan die naar Indonesië was geweest en met wie ik sprak ervan overtuigd was dat een Westerse journalist nooit zou worden toegelaten op een boot: de angst voor politie was te groot. Daarom besloten fotograaf Joël van Houdt en ik ons voor te doen als vluchtelingen.

Omdat we allebei blank zijn, leek het ons raadzaam een dekmantel te verzinnen. We spraken af dat we zouden zeggen dat we Georgiërs waren (ander nationaliteiten in de regio leken ons niet geschikt omdat we bang waren mensen tegen te komen die Russisch met ons zouden willen praten), dat we gevoelige informatie hadden over activiteiten van onze regering tijdens de oorlog van 2008 (vandaar dat we camera’s en opnameapparatuur bij ons hadden), dat we naar Kabul waren gekomen om een smokkelaar te zoeken en dat we tijdens ons verblijf een beetje Dari hadden geleerd. Mijn Afghaanse collega Hakim (wiens naam is veranderd om zijn identiteit te beschermen) zou zich voordoen als een lokaal tussenpersoon die probeerde een graantje mee te pikken van de handel. Het was een nogal ingewikkeld en onwaarschijnlijk verhaal.

Toen we zo ver waren, belde Hakim een oudere Afghaanse man in Jakarta met de naam Hajji Sahib. Hajji Sahib is een bekende smokkelaar in Indonesië. Voor Afghanen is het relatief gemakkelijk om aan het nummer van zijn mobiele telefoon te komen. Hakim legde uit dat hij twee Georgiërs had – ‘Levan’ en ‘Mikheil’ – die hij naar Hajji Sahibs wilde sturen. Hajji Sahib stelde nul vragen over ons verhaal en beloofde Joël en mij naar Christmas Island te brengen voor 4.000 dollar per persoon.

De meeste asielzoekers die naar Australië willen, arriveren in Jakarta met het vliegtuig. De dag nadat we landden in de hoofdstad belde ik Hajji Sahib. We spraken af dat we de volgende ochtend zouden worden opgepikt voor een supermarkt bij een druk kruispunt. Een man in een Hawaï-shirt arriveerde op het afgesproken tijdstip. Hij keek ons bedenkelijk aan en gaf me een mobiele telefoon. „Je gaat met deze man in een taxi”, had Hajji Sahib gezegd. „Hij zal jullie naar een veilige plaats brengen.”

We stopten op de parkeerplaats van een torenflat met appartementen en namen de lift naar de 23ste verdieping. Halverwege een slecht verlichte gang klopte onze begeleider op een metalen deur. Een jong meisje in een jurk met plaatjes van Barbie liet ons binnen. Aan een glazen tafel zat een Iraanse man te roken. Een jongetje lag op een kale matras naar tekenfilmpjes te kijken. „Oké?”, vroeg de Indonesiër. Voordat iemand kon antwoorden was hij weg.

De rokende man, Youssef, had al enkele weken doorgebracht in het appartement met zijn 8-jarige zoon, Anoush, en zijn 6-jarige dochter, Shahla. (Alle namen van asielzoekers in dit verhaal zijn gefingeerd om hen te beschermen). Youssef was arbeider in Iran, waar hij de gevels van gebouwen renoveerde. Om Hajji Sahib te kunnen betalen had hij al zijn bezittingen verkocht en zijn huurhuis opgegeven. Zijn vrouw had hij achtergelaten bij haar ouders, met de bedoeling haar legaal naar Australië te halen als hij en de kinderen zich daar zouden hebben gevestigd. „In Iran is geen werk, geen leven, geen toekomst voor deze kinderen”, zei Youssef, knikkend naar Anoush en Shahla.

Youssef was duidelijk niet zo enthousiast over de komst van de nieuwe kamergenoten – er waren maar twee bedden, waarvan één een krappe tweeslaper. Maar Anoush en Shahla wedijverden met elkaar in gastvrijheid. Nadat Shahla ons had gecomplimenteerd met onze „mooie baarden” begon Anoush een lunch voor ons te maken van instant noodles met kippensmaak.

Shala zei: „Mensen worden daar dieven, in Iran.”

„In Australië wil ik politieman worden”, riep Anoush. „Ik ga dieven vangen en ‘handen omhoog!’ zeggen.”

Youssef leek dat geen goed idee te vinden. „Ze gaan studeren”, zei hij.

Op verschillende verdiepingen van het gebouw waren in andere appartementen nog zo’n dertig asielzoekers ondergebracht. Sommigen waren van Hajji Sahib, sommigen van concurrerende smokkelaars. Een meerderheid bleek tot m’n verrassing niet Afghaans maar Iraans. De meesten kwamen uit de stad, uit de lagere middenklasse. Hun motieven om te vertrekken varieerden. Allemaal klaagden ze over de regering en het gebrek aan vrijheden. Enkelen zeiden te worden vervolgd om politieke redenen. Ze klaagden dat het slecht ging met de economie.

Kinderen kunnen niet zwemmen

Kort nadat we onze intrek hadden genomen in het appartement kwam een Iraanse man langs die Rashid heette. Rashid had een bleke, lusteloze blik. Al snel herkende ik die blik bij asielzoekers die hier twee maanden of langer zaten te verkommeren door ondervoeding en psychologische vermoeidheid. Toen hij op een stoel zakte, met zijn ellebogen op de knieën en zijn kin ondersteund door zijn handen, leek hij niet meer in staat om de zwaartekracht enige weerstand te bieden.

Rashid vertelde dat hij na een maand in Jakarta aan boord ging van een boot naar Christmas Island. Van het ene op het andere moment hield de motor er mee op, waardoor ze dagen stuurloos waren. Omdat er geen pomp was moesten Rashid en de andere mannen emmers gebruiken om het water weg te krijgen dat in de romp spatte en door de houten planken sijpelde. Voedsel en drinkwater raakten op. Mensen zouden zijn gestorven door uitdroging als de golven hen niet naar een afgelegen eiland hadden gebracht. Ze werden gearresteerd en moesten de Indonesische politie betalen om hun vrijheid terug te krijgen.

„En toen kwamen we weer naar dit gebouw”, zei Rashid. „De smokkelaar zei dat we ons geen zorgen moesten maken en dat hij ons binnenkort weer mee zou nemen.”

Ik keek naar Joël. Toen we in Kabul waren, drong Hajji Sahiub er in een telefoongesprek op aan dat we zo snel mogelijk naar Jakarta zouden komen. De volgende boot was klaar voor vertrek, zei hij.

„Onze smokkelaar heeft ons verteld dat we morgen vertrekken”, zei ik.

Rashid lachtte. „Ja, dat zeggen ze.”

Het wachten was onmenselijk: niets doen was het allerlastigste. Omdat je smokkelaar elk moment kon bellen, dag en nacht, moest je altijd in staat van paraatheid zijn.

Iedereen was blut. De maaltijden, in ieder geval die in ons appartement, bestonden uit instant noodles, een of twee keer per dag, met soms wat brood. Youssef, Anoush en Shahla sliepen op het ene bed, Joël en ik wisselden elkaar af op het andere bed en op een dun matras op de grond. We keken uit naar de nachten op het matras, want dat lag bij de koelkast. En dus kon je de koelkast openen voor wat koude lucht wanneer je badend in het zweet wakker werd. Bovendien liepen er op het matras, in vergelijk met het bed, relatief weinig vlooien.

Veel asielzoekers in het gebouw hadden kinderen, maar Youssef was de enige die ze had meegenomen (de anderen verwachtten dat ze in Australië zouden worden herenigd met hun gezinnen). Het is moeilijk voor te stellen hoe Anoush en Shahla het beleefden. Ik had de indruk dat de problemen en ontberingen bij hen enigszins op de achtergrond raakten, omdat het allemaal ook een spannend avontuur was.

Hoewel ze niets en niemand hadden om mee te spelen, behalve elkaar, wisten ze zich goed bezig te houden. Een stoffer die ze vonden onder de gootsteen bleek heel geschikt om mee te kietelen. Plastic zakjes deden dienst als ballonnen. De saus die bij de noodles zat kon in interessante vormen op de tafel worden gespoten.

Er was ook veel te ontdekken. Het flatgebouw was een kleine stad op zich. Vier torenhoge vleugels begrensden een binnenplaats met winkels en snacktentjes. Elke avond was er karaoke, oudere Indonesiërs blèrden liedjes van John Denver en Johhny Cash. Er was een moskee voor moslims, een kerk voor christenen en een tempel voor boeddhisten. Er waren gigantische kakkerlakken waar je op kon jagen, en katten zonder staart. En – dat was heerlijk – er was een zwembad.

Meestal draaide het er op uit dat Youssef het appartement opruimde, terwijl Joël en ik bij het zwembad Anoush en Shahla in de gaten hielden. Het baarde ons zorgen te zien dat geen van beiden echt kon zwemmen.

De beslissing van Australië om alle bootvluchtelingen naar Papoea Nieuw Guinea of Nauru te sturen droeg ook bij aan ieders ongerustheid. Niemand stond het zich zelf toe daar serieus over na te denken (deed hij dat wel dan zou hij geen andere keuze hebben dan het ondenkbare: opgeven, naar huis gaan). Maar een goede verklaring had ook niemand. „Het is een leugen”, zei Youssef, toen ik er over begon. „Ze willen mensen bang maken zodat ze niet meer komen.” Een andere man reageerde geërgerd toen ik vroeg wat hij ervan dacht. „Hoe kunnen ze je wegsturen?”, stelde hij. „Je brengt jezelf in gevaar, je neemt je leven in eigen hand. Dat kunnen ze gewoon niet.” Een derde asielzoeker haalde zijn schouders op. „Het is een politiek spel”, zei hij.

Een week of twee na aankomst in Jakarta waren Joël en ik op weg naar de winkels beneden toen een jonge man uit het Midden-Oosten, die we niet eerder hadden gezien, naar ons toekwam. „Kom met me mee”, zei hij.

We volgden hem naar de binnenplaats. Daar zat een Iraanse smokkelaar, Ayoub, uitgebreid te lunchen aan een tafel. „Ga je tassen en de sleutel van het appartement halen”, zei Ayoub, nadat hij een kippenbot op zijn bord had laten vallen en zijn vingers één voor één, goed hoorbaar, had afgelikt.

Terug in het appartement knikte Youssef alleen maar toen ik hem het nieuws vertelde. Hij reageerde niet zoals ik had verwacht. „Ayoub is hier”, herhaalde ik. „We vertrekken.”

„Zei hij dat wij óók kunnen vertrekken”, vroeg Youssef. „Of alleen jullie?”

Ik begreep het niet. „Natuurlijk, we gaan allemaal.”

Het leek Youssef niet te overtuigen en hij maakte geen enkele aanstalten om zijn spullen te pakken. Een paar minuten later werd ik gebeld door Hajji Sahib. Ik liep naar de gang.

„Ben je bij het Iraanse gezin?”, zei hij.

„Ja, we zijn bijna zo ver.”

„Ayoub is al weg”, zei Hajji Sahib. „Je moet een taxi nemen. En je moet de Iraniërs daar laten. Ze kunnen niet mee. Er is een probleem met hun geld.”

Weer terug in het appartement trof ik Youssef bij het fornuis. Shahla had hij onder de douche gezet. Anoush keek naar tekenfilmpjes.

„Wat is er aan de hand?”, zei ik.

Youssef schudde zijn hoofd. Toen ik hem vertelde dat Joël en ik alleen moesten vertrekken, maakte hij geen bezwaar. Hij moest zich ellendig voelen, maar leek zich te hebben verzoend met wat er aan het gebeuren was. Het drong tot me door dat hij het aan had zien komen. Hij stak een sigaret aan en ging op de matras liggen. Shahla stond nog steeds onder de douche. Anoush had het allemaal begrepen, daar was ik zeker van. Maar zijn ogen bleven gericht op de tv.

Er blijkt geen wc te zijn

Iedereen was zeiknat, door de regen die we onderweg naar het strand over ons heen kregen en doordat we tot onze oksels door het water moesten waden om bij de bootjes te komen. Het was nog donker toen de twee Indonesische bemanningsleden het zeildoek terugtrokken dat ze boven onze hoofden hadden bevestigd. De kust was een vage schaduw die steeds vager werd. De Indonesiërs deelden reddingsvesten uit: belachelijke dingen, gemaakt van een dunne stof en een beetje schuim. De jongste kinderen, onder wie een meisje in een roze poncho dat niet ouder leek dan vier of vijf, werden met hun ouders naar een open stukje achterin het schip gedirigeerd. Aan de achterkant ging het schip minder heftig op en neer.

Toen de zon doorbrak konden we elkaar voor het eerst goed bekijken. Rashid had het gered, net als een aantal andere mannen uit het appartementencomplex. Er waren negen kinderen aan boord, en een stuk of twaalf vrouwen. Behalve één Afghaanse man, uit de provincie Kunduz, waren het allemaal Iraniërs. De meeste ouderen zaten tegen elkaar in de overdekte boeg of tegen de romp. De rest zocht waar mogelijk een plek op het open dek.

De zee was behoorlijk ruw. Telkens wanneer de boot van een hoge golf viel of daar tegenop botste, spatte er een grote hoeveelheid water over ons heen.

De eerste die misselijk werd was Siya, een gespierde Iraanse man die we in Jakarta hadden ontmoet. Het was nog maar ochtend toen hij begon te kotsen. De man was een geboren leider, bijna iedereen volgde zijn voorbeeld.

Aan het einde van de middag konden we geen land meer zien. De golven werden zo groot dat ze het zicht op de horizon blokkeerden wanneer ze op ons afkwamen. Sommigen hingen overboord, anderen gaven over in plastic zakjes. Al snel bleken er niet genoeg zakjes te zijn. Ze moesten daarom worden geleegd, schoongemaakt en opnieuw gebruikt.

Siya liet zich niet uit het veld slaan. Hij deed zijn hemd uit, waardoor een tatoeage zichtbaar werd, en begon te zingen. Anderen haakten in, al moesten ze af en toe stoppen om te kokhalzen.

Het ging langzaam. De Indonesiërs wisselden elkaar af bij het roer en de handpomp, waarmee water uit de romp werd verwijderd. Anders dan het indrukwekkende lawaai van de motor deed vermoeden was het vermogen van het ding niet zo indrukwekkend. Net zoals het schip was de motor niet gemaakt voor zo’n zware lading en voor zulke hoge golven. Onze snelheid was vier of vijf knopen, minder dan 10 kilometer per uur. Soms leken we amper vooruit te komen door de sterke passaatwinden uit het zuidoosten, die de golven voorzagen van schuimkragen en wolken van druppels op ons afvuurden.

De Indonesiërs stuurden de mannen afwisselend naar stuurboord en bakboord – afhankelijk van de deining. Zo moest worden voorkomen dat we te veel naar één kant zouden overhellen. Een tikje verontrustend was dat wel.

De zee was nog steeds ruig toen de zon onderging. Daarmee verdween ook de warmte. Degenen die overdag hadden gestaan, probeerden nu wat ruimte te claimen om een poging tot slapen te wagen. Er ontstond een claustrofobische kluwen van ledematen. Slechts een enkeling kon op zijn rug liggen, of zijn benen strekken. Telkens wanneer iemand probeerde een voet of een knie te verplaatsen, om de bloedcirculatie wat te herstellen, veroorzaakte dat een opeenvolging van geschuif en gemopper omdat omliggende lichamen zich moesten herschikken.

Het zeildoek was uitgespreid. Maar het was niet groot genoeg om iedereen te bedekken. Als je je aan een rand of in een hoek bevond dan was er steeds iemand aan de andere kant die het doek bij je wegtrok, zodra je het even niet goed vast had. Het doek was hoe dan ook te oud en poreus om veel effect te hebben. Door de plooien stroomde het water naar beneden, zich onderweg vermengend met heel wat tranen.

’s Ochtends zag iedereen er anders uit. Grauw. Met holle ogen. Minder mens. Amir, een Iraniër van middelbare leeftijd, en zijn negen jaar oude zoon Sami hingen krachteloos tegen elkaar aan. Ze deelden een plastic zak om in te kotsen. De man met de kleine hanenkam had zich opgerold als een foetus: dat bleef hij de rest van de reis doen. Zijn zwangere vrouw zat met haar benen over elkaar bij de boeg, lijkbleek en kletsnat en rillend.

Nog een probleem. Er was geen toilet. En aangezien er geen reling was om je aan vast te houden, was het te riskant om je behoefte in zee te doen. De mannen plasten in de romp, de vrouwen in hun broek.

De Indonesiërs hadden plastic bekertjes met water meegenomen. Maar vrijwel niemand slaagde erin ze recht te houden. Siya ging door met kotsen en zingen. Enkele kinderen begonnen te huilen, maar niemand klaagde.

’s Middags doken twee dolfijnen op, die bijna een uur lang hun kunstjes vertoonden. Ze schoten onder de boot door en lanceerden zich vervolgens omhoog. Het vrolijkte iedereen op, de volwassenen net zo zeer als de kinderen.

Toen het opnieuw licht werd, kreeg iedereen weer wat energie. Even leken het gebrek aan slaap, het tekort aan water, de misselijkheid en de viezigheid te zijn vergeten omdat de Indonesiërs zeiden dat we waarschijnlijk voor het donker Australisch grondgebied zouden bereiken. Er was nog geen land te zien, maar de komst van vogels boven onze hoofden werd door iedereen opgevat als teken dat we in de buurt kwamen.

De zee was ook wat gekalmeerd: er storten zich geen golven meer op het dek. Even was dat een opluchting. De zon zorgde ervoor dat we voor het eerst echt droog werden. Maar toen de zon hoger kwam te staan bleek die veel krachtiger dan in de afgelopen twee dagen. Er was nergens een wolk die de zonnestralen afzwakte, en al snel verlangde iedereen naar de ijzige golven die we eerder zo hadden vervloekt.

Het zeildoek werd weer tevoorschijn gehaald. Dat blokkeerde het verblindende licht van de zon, maar het hield ook de warmte eronder vast. Een aantal mensen snakte wanhopig naar frisse lucht. Ze sneden de bijna lege doos waarin de waterbekertjes zaten aan stukken en maakten zonnekleppen van het karton. Een van de vaders achterin, die een slaapmasker van Qatar Airways droeg om zijn gezicht te beschermen, vond wat touw en maakte een zonnescherm van lakens en sjaaltjes.

In de boeg – het enige deel van het schip dat overdekt was – werd je duizelig van de stank van braaksel en urine. Het groepje Iraniërs dat zo’n haast had gehad daar te gaan zitten toen we aan boord gingen, had z’n plek daarna niet durven opgeven. Nu leden ze. Ze twistten met hun kameraden op het open dek. Het zeildoek hing voor de toegang tot de boeg en voorkwam dat de vieze, vochtige lucht daaruit kon ontsnappen.

„Alsjeblieft”, smeekte een vrouw. „We kunnen hierbinnen niet ademen.”

Maar de mensen op het dek hadden weinig zin zich direct bloot te stellen aan de zon om het anderen wat gemakkelijker te maken die tot dan toe hadden genoten van een relatief luxe accommodatie.

Zwangere vrouw

Iedereen die er tot die tijd in was geslaagd de moed niet te laten zakken, werd nu kapot gemaakt door de zon. De toestand van de zwangere vrouw was bijna kritiek. Ze baadde in het zweet en was aan het kokhalzen zonder dat er iets uit kwam – er was gewoon niets meer om naar buiten te komen. Sami zat te janken. Amir lag achterover en reageerde nergens op. Z’n ogen waren dichtgevallen. Toen ik probeerde hem wat water te laten drinken, kneep hij lichtjes in m’n enkel. „Ik heb hulp nodig”, zei hij. „Ga hulp vragen.”

Die beslissing leek te moeten worden genomen door Siya. Er was een satelliettelefoon aan boord: volgens Siya was het de bedoeling contact op te nemen met de Australische autoriteiten zodra we zonder twijfel in hun zeegebied zouden zijn. De marine zou ons dan naar de kust brengen. In het verleden volbrachten asielboten vaak de hele reis, maar de landing kan bedrieglijk zijn. Daarom is het nu gebruikelijk te verzoeken om een „redding” voordat Christmas Island wordt bereikt. Hoewel Australische redders zich verder naar het noorden wagen dan wij nu waren, wilde Siya geen risico nemen. Ik denk dat het Amirs smeekbedes waren die hem er uiteindelijk toe brachten te bellen.

Een Iraniër, een technicus die wat Engels kon, sprak met de centrale. De Indonesiërs hadden een gps-apparaat meegenomen, maar ze wisten niet hoe het werkte. De asielzoekers evenmin. Uiteindelijk stelde iemand z’n iPhone ter beschikking en kon de technicus onze coördinaten doorgeven.

Al snel verscheen er een schip aan de horizon. Er ronkte een vliegtuig over ons heen, dat naar beneden dook en nog een keer voorbij vloog. De asielzoekers begonnen te zwaaien met T-shirts en uitbundig te roepen. Een van de twee Indonesiërs deed een dansje op de machinekamer. Hij leek verbaasd te zijn dat we het hadden gehaald. Sommige mannen leegden hun zakken en wierpen hem al het contante geld toe dat ze hadden.

Er kwamen twee motorbootjes van het marineschip naar ons toe. Ze hadden elk zes Australiërs aan boord, met grijze camouflage-outfits, helmen en handvuurwapens op hun zij. De Indonesiërs stopten de motor (en na drie dagen constante herrie was de stilte die er voor in de plaats kwam opmerkelijk). De bootjes manoeuvreerden zich naast ons, aan elke kant één.

De Australische zeelui zagen er uit als verse rekruten. Eén van hen had een soort handboek. Met luidde stem las hij er uit voor. „Zijn er mensen die Engels spreken?”

De technicus kwam naar voren.

„Heeft er iemand medische hulp nodig?”

Toen de technicus dit vertaalde stak bijna iedereen zijn hand op. De zwangere vrouw werd overeind geholpen en aan de Australiërs getoond. Haar hoofd hing naar beneden. Ze was bijna te zwak om te staan.

Terwijl de Australiër met het handboek meer vragen voorlas, deelden zijn collega’s nieuwe reddingsvesten uit aan de asielzoekers, een paar jerrycans met vers water, wat zakken met bevroren tortilla’s, flesjes honing en een pot aardbeienjam. „Nu gaan we terug naar het schip”, zei een van hen tegen de technicus. „Zet de motor weer aan en ga verder. Wij varen achter je.”

Die boodschap stuitte op ongeloof. De zwangere vrouw werd opnieuw overeind geholpen en getoond. „Kunnen jullie haar in ieder geval meenemen?”, vroeg de technicus. De Australiërs keken elkaar beschaamd aan. Het was duidelijk dat ze wel wilden.

Nog steeds konden we geen land zien. Maar er zat niks anders op dan te doen wat de Australiërs hadden opgedragen, namelijk „verder gaan”.

Vier of vijf uur na het contact met het eerste schip, verscheen een tweede, kleinere patrouilleboot. Opnieuw kwamen er twee bootjes met bemanningsleden naar ons toe. Nu kwamen ze meteen aan boord, maanden mensen opzij te gaan en zo veel mogelijk naar voren te komen. De officier die de leiding had, verklaarde dat hij de controle over het schip overnam.

Nadat de officier Joëls camera had gezien werd ons gesommeerd naar achteren te komen. Daarop identificeerden we onszelf als journalisten.

Een grote, bebaarde Australiër bediende het roer, terwijl de officier een lijst vragen afwerkte met de Indonesiërs – die konden allebei niet lezen of deden alsof (Indonesische vissers die met asielzoekers varen worden meestal niet vervolgd, tenzij het hun tweede overtreding is, of wanneer er iemand overlijdt). De officier was beleefd tegen Joël en mij. Hij zei dat we geluk hadden gehad met het weer. Als we een paar dagen eerder waren vertrokken dan was de boot gekapseisd.

Nadat de boot aan een kade was gelegd, zei de officier dat we de nacht hier zouden doorbrengen en morgen van boord zouden gaan. De technicus begon de klachten van de asielzoekers door te geven – de mensen in de boeg hadden nog minder ruimte dan daarvoor. Waarop de officier antwoordde: „Zijn jullie veilig? Zijn jullie nog in levensgevaar?” Hij leek zijn geduld te verliezen. Toen hij achter het schip verpakkingsmateriaal zag drijven, berispte hij de Iraniërs: „Jullie zijn nu in een mooi land.”

De hele nacht regende het bij vlagen. De volgende dag werden we met een schuit naar een verder gelegen aanlegsteiger gebracht. Het krioelde er van de douanebeambten, immigratiefunctionarissen, agenten van de federale politie en medewerkers van het beveiligingsbedrijf dat verantwoordelijk is voor de detentiecentra op het eiland. Joël en ik werden welkom geheten in Australië, en we kregen water, koffie, en een lift naar een verrassend luxe hotel. Alle anderen werden opgesloten.

Later die middag liepen we de stad in en zagen hoe onze kleine boot terug naar zee werd gesleept. Daar zou het scheepje in brand worden gestoken, zo had de officier me verteld.

Naar een tentenkamp

Inmiddels zijn de meeste, zo niet alle mensen van onze boot overgebracht naar een van de twee eilandstaten. Als ze naar het detentiecentrum op Papoea Nieuw Guinea zijn gebracht dan zitten ze waarschijnlijk in het tentenkamp dat daar als uitbreiding dient. Als ze naar het detentiecentrum op Nauru zijn gestuurd dan zitten ze waarschijnlijk ook in een tentenkamp. Dat werd daar neergezet nadat er in juli rellen uitbraken onder asielzoekers, waarbij de gebouwen in brand werden gestoken.

Omdat de regeringen van Nauru en Papoea Nieuw Guinea niet de mensen hebben om asielverzoeken af te handelen – Australiërs zijn nog bezig hen daarvoor te trainen – zullen de vluchtelingen lang moeten wachten. Sommigen houden dat misschien niet vol: tientallen Iraniërs hebben al gevraagd of ze kunnen worden teruggestuurd naar hun land nadat ze de leefomstandigheden op Papoea Nieuw Guinea zagen.

Van degenen die besluiten vol te houden zullen er weinig worden erkend als asielzoeker. Australië heeft geen overeenkomst met Iran die het mogelijk maakt hen te dwingen om terug te gaan naar hun land, als hun asielverzoek wordt afgewezen (anders dan met Afghanistan en Sri Lanka). Dat betekent dat de Iraniërs die geen asiel krijgen op Nauru of Papoea Nieuw Guinea, en die weigeren vrijwillig terug te keren naar Iran, in een soort niemandsland terechtkomen. Ze kunnen zich niet vestigen op een van de eilanden, maar ook niet naar het vasteland van Australië of naar huis worden gestuurd. Bij gebrek aan een andere oplossing kunnen ze worden teruggevlogen naar Christmas Island en daar voor onbepaalde tijd worden opgesloten.

Toen ik terug was in Afghanistan ontmoette ik verschillende mannen die zich voorbereidden op een reis naar Australië. Een van hen, Qais Khan, opende in 2005 een winkeltje met auto-onderdelen in Kabul. Qais vertelde me dat hij jarenlang goede zaken deed, zolang Afghanen uit de provincie regelmatig naar de stad kwamen. Maar sinds 2010 was de handel ingezakt als gevolg van de verslechterde veiligheidssituatie op het platteland rond Kabul. Vorig jaar ging Qais failliet. Hij moest zich nu uitsloven om zijn vrouw en twee kinderen eten te geven.

Een paar maanden geleden waren vijftien vrienden van Qais naar Indonesië vertrokken nadat ze geld hadden betaald aan een smokkelaar. Een van hen was een buurman van Qais, de chauffeur van een parlementariër. Hij had besloten te vluchten nadat hij drie brieven van de Talibaan had gekregen waarin ze ermee dreigden hem te zullen vermoorden. Qais vertelde dat hij wachtte op bericht van zijn vrienden dat hun missie geslaagd was. In dat geval zou hij ook gaan.

„En als ze niet slagen?”, vroeg ik.

Qais dacht even na en gaf toen toe dat hij waarschijnlijk toch wel zou gaan. Eigenlijk had hij al de noodzakelijke leningen afgesloten om de smokkelaar te betalen.

„Er is ten minste een mogelijkheid.”

Ik vond dat ik hem moest vertellen dat hij zich vergiste. „Je zult Australië nooit bereiken”, zei ik.

Qais leek het niet te horen. De woorden kwamen domweg niet aan. „Australië, Europa, Amerika”, zei hij. „Ze zijn daar niet zoals hier. Je hebt een kans.”

    • Joël van Houdt
    • Luke Mogelson