De angst voor het kind is verdwenen

Philip Huff wilde nooit kinderen. De wereld was al zo vol. Nu ziet hij in dat het krijgen van kinderen een persoonlijke keuze is.

Argumenten zijn het probleem niet. Het gaat erom waar je ze heen wilt lullen.’ Zo luidt de tekst op een tegeltje bij mij in de keuken. Elke keer als ik mijn handen was, kijk ik er even naar. De uitspraak werd door de geefster aan Theo Maassen toegeschreven, maar ik kon de bron nooit verifiëren. Misschien is dat ook wel zo toepasselijk voor dit stuk. We vergeten wel vaker de bron te verifiëren, zeker als het om argumenten gaat.

Bijna dertig jaar heb ik gemeend geen kinderen te willen. Ik heb er zelfs meerdere stukken over geschreven – ook in deze krant. Dat je jezelf geen plezier doet met kinderen, de rest van de wereld evenmin en, nog belangrijker en waarschijnlijker, die kinderen ook niet.

Ik schreef die positie altijd toe aan de onderbouwing die bij deze standpunten hoort: er wonen zeven miljard mensen op deze aarde en dat zijn er veel te veel (onze aarde kan volgens onderzoek aan vier miljard mensen het welvaartsniveau van de Europese Unie bieden). Ons huidige aantal heeft desastreuze gevolgen voor onze leefomgeving. Elke vermeerdering is dus een verslechtering.

En, op kleinere schaal: kinderen kiezen er zelf niet voor geboren te worden. Je doet iemand dus iets aan waarom hij niet heeft gevraagd. Daarmee verhoog je de hoeveelheid lijden in de wereld (want elk leven, hoe gelukkig ook, wordt gekenmerkt door een hoge mate van leed) – niet alleen op grote, onpersoonlijke maar ook op kleine, persoonlijke schaal.

Natuurlijk, er zijn ook maatschappelijke redenen te bedenken om wél kinderen te krijgen: vergrijzing, de concurrentiepositie van Nederland in de wereld. Die vond – en vind – ik vaak minder overtuigend.

Maar, zo heb ik geleerd, argumentatie is vaak bijzaak, een manier om iets goed te praten. Het gaat om het ‘het’ waar je ‘iets heen wilt praten’.

Dat ‘iets’ of ‘het’ kan specifieker: argumentatie voor of tegen kinderen krijgen is vaak een manier om een gevoel te rechtvaardigen – geen ideologische positie.

Ik geloof niet langer dat iemand op basis van maatschappelijke motieven afziet van kinderen. Als je kinderen wilt, dan verzin je wel redenen om dat te rechtvaardigen. En als je ze niet wilt, dus ook. Persoonlijke motieven zijn daarbij doorslaggevend, niet maatschappelijke.

Ik vind het nog steeds belachelijk dat mensen mij boos aankijken als ik zeg dat ik denk gelukkiger te worden zonder kinderen dan mét – alsof ik hun keuze om kinderen te krijgen aanval – maar het toont wel aan dat kinderen krijgen iets persoonlijks is en niet maatschappelijk. Als dat zo was, zouden ze wel zeggen: „Begrijpelijk. Heel goed”.

Maar zoals mensen in een foto als eerste op zoek gaan naar zichzelf, zo gaan ze in elke levenshouding ook op zoek naar zichzelf: „Maar had ik dan ook geen kinderen moeten krijgen?”

Wat ik zeg, is dat ik denk – in mijn leven, met mijn werk en mijn voorkeuren – (voorlopig) meer geluk meen te kunnen vinden zonder kinderen dan met. Ik zeg niet dat ik denk dat kinderen voor iedereen een vermindering van geluksmogelijkheden betekent. Kindervrij leven kan gelukkig leven betekenen. Het omgekeerde echter ook.

Maar, weet ik uit persoonlijke ervaring, die keuze voor kindervrij geluk moet dan wel een vrije keuze zijn, gemaakt op basis van verlangens en niet op basis van angsten.

De waarheid vertellen betekent in een mensenleven niet altijd dat je twee kanten brengt, zoals in de rechtszaal dient te gebeuren, of zo objectief mogelijk een verhaal vertelt, zoals je in de krant hoopt aan te treffen; de waarheid vertellen in een mensenleven betekent dat je eerlijk naar binnen kijkt.

Ik wilde dus nooit kinderen. Zo lang als ik me kan herinneren. Daar speelden mee: maatschappelijke motieven, persoonlijke motieven (werk en woning), maar ook: een gevoel. Zoals het haar van een vrouw warm en veilig kan voelen als je er aan ruikt, zonder woorden, zo had ik het gevoel in een ijzeren maagd te worden gelegd als iemand een baby aangaf of zelfs maar mijn kinderwens wilde bespreken.

Dat kwam door persoonlijke omstandigheden, redenen die te ver voeren om hier te behandelen, maar voor de argumentatie voldoet te verklaren dat dankzij wat grondig kluswerk met de psycholoog dit gevoel kon worden opgeheven. Als ik nu een kind in mijn handen krijg, denk ik: wat een wonder dat die handen ooit zo groot worden als mijn handen. Als ik nu een kind vasthoud, voel ik – veelal – de liefde van de ouder voor zijn kind. Een doorslaggevend, ‘iets’-gevoel bij kinderen hoeft dus niet altijd angstig te zijn.

Bij veel vrouwen dicteert de biologie bijvoorbeeld vaak in positieve zin, hoewel ook dat gedoe met zich kan brengen. Ik ken een vrouw die met een man was getrouwd op de voorwaarde dat hij óók geen kinderen wilde, en op haar achtendertigste wakker werd en dacht: ‘Maar ik wil een kind’. Na een week met het gevoel te hebben rondgelopen, zei ze aan de keukentafel tegen haar man na bijna tien jaar: „Ik wil een kind. En als jij dat niet wilt, ga ik bij je weg”.

De man volgde de vrouw, zoals de meeste mannen vrouwen volgen in dit biologische gevoel omdat hun innerlijke klok minder snel afloopt. De biologische dwang is bij vrouwen nu eenmaal groter en zorgt voor een sterk gevoel. Met maatschappelijke argumenten of een ideologische visie heeft zo’n gevoel weinig te maken. Het hele maatschappelijke gedoe met vaderverlof, crèchekosten en carrièrekansen – en eventuele overbevolking – komt pas later (en zou wel heel wat vrouwvriendelijker kunnen worden ingericht).

Vrouwen die geen kinderen willen en die daarvoor redenen aanvoeren, zoeken die redenen in de afwezigheid van een bepaald biologisch gevoel.

Dat zou niet moeten zijn, maar helaas zijn de ‘kinderen-moet-je-krijgen’-medemensen niet zo liefdevol als ze zelf denken.

Onze gevoelens zijn vaak psychologisch of biologisch gemotiveerd. Die botsen dan met gevoelens, de argumenten die anderen aanvoeren om iets wel of niet te doen. En dan graven we ons in in een loopgravenoorlog.

Wat we daarbij vergeten, is de bron van onze positie te zoeken: je kunt immers willen wat je niet kunt voelen.

De conclusie is dat een kind krijgen oké is, net zo oké als het niet krijgen van een kind – zolang die keuze maar gebeurt in de vrijheid van de eigen lotsbeschikking, en de anderen die vrije keuze respecteren.