Blik vooruit

De afgelopen anderhalf jaar heb ik op deze plaats een indruk gegeven van het soort onderzoek waarmee ik mij bezighoud. Dit is alweer mijn laatste column, en ik zal hem wijden aan een blik in de toekomst. Wat kunt u het komende jaar verwachten van de historische taalkunde?

Begin januari wordt bij het Meertens Instituut de Kaartenbank gelanceerd. Deze bevat een index met ongeveer 30.000 titels van kaarten waarop taal- of cultuurverschijnselen in de Lage Landen zijn getekend. Bij de helft van de titels wordt een afbeelding van de kaart getoond. Op de kaarten is bijvoorbeeld te lezen welke woorden er in de Lage Landen bestaan voor begrippen als ‘fiets’ of ‘aardappel’, met welke klanken ‘zoon’ of ‘schaap’ worden uitgesproken of hoe het werkwoord ‘zijn’ in de verschillende dialecten wordt vervoegd.

Ruim 2.000 kaarten zijn nooit eerder gepubliceerd: ze zijn in de eerste helft van de 20e eeuw getekend door beroemde dialectologen als Jac. van Ginneken, G.G. Kloeke en Willem Pée. Van sommige verschijnselen bestaan kaarten uit verschillende tijden. Hieruit kan men aflezen hoe de dialecten in de loop van de tijd zijn veranderd. Zelf zal ik via deze ongekend grote hoeveelheid kaarten taalkundige en culturele grenzen gaan onderzoeken die samenvallen met de bijbelgordel; ik ga dus op zoek naar causale verbanden tussen taalgebruik en religieuze identiteit.

Vooruitlopend op de lancering van de Kaartenbank is deze week het boekje De Kaartenbank. Over taal en cultuur verschenen, waarin medewerkers van het Meertens Instituut de verhalen vertellen achter kaarten met de verspreiding van een bepaald talig of cultureel verschijnsel. Lezers van Het Bureau van J.J. Voskuil die nu al jaren in onzekerheid verkeren over wat er is gebeurd met het materiaal van de zogenoemde kabouterkaart, kunnen in dit boek eindelijk het antwoord vinden.

Het toegankelijk maken van gegevens voor zowel onderzoekers als leken beschouw ik als een belangrijk onderdeel van mijn werk. Gelukkig helpen veel vrijwillige handen daarbij. Komend jaar zullen er nieuwe etymologische werken worden toegevoegd aan de Etymologiebank (www.etymologiebank.nl). In de loop van 2014 zal een vergelijkbare databank worden gelanceerd met dialectwoordenboeken: de elektronische Woordenbank van de Nederlandse Dialecten.

Dan het laatste nieuws over het grote NWO-project Nederlab, dat op 1 januari 2013 is gestart. Inmiddels is een prototype gebouwd, dat in de loop van 2014 voor het publiek wordt opengesteld. Voor degenen die het even kwijt zijn: Nederlab wil geesteswetenschappers de mogelijkheid bieden vanuit één portaal alle gedigitaliseerde Nederlandstalige teksten van ca. 800 tot heden gezamenlijk te doorzoeken. Die teksten vormen de neerslag van de Nederlandse taal en cultuur. De gedachte achter Nederlab is dat er veranderingspatronen in de Nederlandse taal, literatuur en cultuur kunnen worden blootgelegd door al deze teksten slim te analyseren. Voor die analyses zal Nederlab allerlei computerprogrammaatjes, ‘tools’, aanbieden.

De rode draad door al deze projecten is de digitalisering, of beter gezegd de opkomst van nieuwe digitale onderzoeksmethoden in de geesteswetenschappen, de zogenoemde eHumanities. Ik ben ervan overtuigd dat de geesteswetenschappen dankzij technische innovaties aan het begin van een nieuw tijdperk staan. Niet iedereen is het daarmee eens. Ik zal proberen in mijn oratie in Nijmegen de sceptici een paar overtuigende voorbeelden voor te houden.

Als voorproefje verklap ik alvast twee van mijn wensen op dit terrein – waarvoor ik middelen wil werven. Mijn eerste wens is de samenstelling van een digitale historische thesaurus, waarin te vinden is hoe bepaalde begrippen in de loop van de tijd zijn benoemd. Daaruit blijkt dan dat een baby in de Middeleeuwen in het Nederlands o.a. werd aangeduid met (in moderne spelling) jongkind, knapenkind, knechtje, pop en zogeling. Zo’n thesaurus heeft grote cultuurhistorische waarde, en is nodig om informatie te halen uit historische teksten, bijvoorbeeld voor de geschiedschrijving van zuigelingenzorg door de eeuwen heen. Een begin wordt gemaakt in het NWO-project Time Capsule van Toine Pieters, dat de inrichting van een historische thesaurus van medicinale planten beoogt.

Mijn tweede onderzoekswens is meer te weten te komen over hoe nieuwe woorden in het verleden zijn gevormd door middel van achtervoegsels, en welke veranderingen daarin zijn opgetreden. Daarnaar is nog maar weinig onderzoek gedaan. In de Middeleeuwen gebruikte men bijvoorbeeld de achtervoegsels -te of -heid om zelfstandige naamwoorden af te leiden van bijvoeglijke naamwoorden: dikte, heetheid. Vaak bestonden de achtervoegsels naast elkaar: warmte en warmheid, diepte en diepheid. Na de Middeleeuwen werden nieuwe afleidingen vrijwel alleen nog gemaakt met -heid (blijheid, heesheid). Wat is daarvan de oorzaak? Waar, wanneer en waarom heeft een achtervoegsel als -te zijn productiviteit verloren en heeft -heid veld gewonnen?

Dit is de laatste column van Nicoline van der Sijs. Volgend jaar schrijft Beatrice de Graaf op deze plek.

    • Nicoline van der Sijs