‘Wie is Nederlander?’ Geen vingers

Tijdens gastlessen schrok Achmed Baâdoud van het wij/zij-denken onder leerlingen. Maar: er zijn ook hoopvolle tekenen.

Is hij getrouwd? Wat zijn z’n hobby’s?

Is hij moslim? Wordt hij wel eens gediscrimineerd?

Achmed Baâdoud, voorzitter van stadsdeel Nieuw-West, geeft een gastles aan de tweede klas vmbo-kader van het Calvijn met Junior college. De afgelopen weken is hij zo de middelbare scholen van zijn stadsdeel langs gegaan. Elke les verloopt volgens hetzelfde patroon. Eerst geven de kinderen antwoord op een paar biografische vragen. „Natuurlijk” is hij getrouwd, zegt het meisje dat steeds aan de arm van haar vriendinnetje plukt. Schaken is zijn hobby, zegt een jongetje in trainingspak, voetbal, zegt een ander („Ik had het goed”, jubelt die later). Ook is hij „natuurlijk” moslim. En hij wordt vast gediscrimineerd „omdat ze misschien denken dat hij Turks is”.

De gastlessen van Baâdoud gaan over vooroordelen. Elke les worden twintig foto’s getoond van willekeurige mensen en de kinderen moeten aanwijzen wie van die mensen beantwoorden aan vragen als: wie is religieus? Wie is wel eens gediscrimineerd? Wie twittert? Al doorpratend over hun antwoorden wrikt Baâdoud de vooronderstellingen bij de kinderen los. „Zijn alle Marokkanen moslims”, vraagt hij. De leerlingen hadden op de eerste vraag direct Marokkaans en Turks ogende mensen aangewezen. „Zijn er niet ook Marokkaanse christenen? Marokkaanse Joden? Marokkaanse ongelovigen?” Ja, dat is wel zo.

Baâdoud had een verslaggever uitgenodigd omdat hij in de afgelopen weken op alle scholen iets had gezien wat hem verontrustte. Elke les vroeg hij: „Wie van jullie komt uit Amsterdam?” Dan gingen bijna altijd alle vingers de lucht in. Maar als hij vroeg: „Wie van jullie is Nederlander”, dan bleven alle handen in de schoot.

Als hij deze ochtend de Amsterdam-vraag stelt, schieten op één na alle vingers omhoog. „En wie van jullie is Nederlander?” Hier en daar een vinger. Tot een jongetje roept: „We zijn toch allemaal Nederlanders” – dan gaan alle vingers omhoog.

Gelukkig, zegt Baâdoud napratend in de leraarskamer, hier was het minder scherp dan elders. Maar toch: „Het is wij/zij.” Hij herinnert aan het stekelharige jongetje dat de hele les niets had gezegd, en dat zijn vinger opstak bij de vraag wie er wel eens gediscrimineerd is. „Vroeger zat ik op een Nederlandse school”, begon hij. „Hee Turk”, riepen ze daar tegen hem. Hier is iedereen Turk, zei het jongetje met een vaag knikje naar de klas, de school, de buurt.

Zeker, je kunt de les zien als een bevestiging van de tweedeling in Amsterdam, waar de stadsdeelvoorzitter tegen probeert te vechten. Maar er waren ook hoopvoller tekenen. Deze kinderen zijn volmaakt tweetalig, en dan niet Nederlands plus Berbers, Turks of Antilliaans – dat ook. Nee, ze spreken de taal waarmee ze op straat overleven, én ze bewogen zich deze ochtend vlekkeloos in het correct Nederlands waarmee ze vooruit moeten komen op school en kans maken op een serieuze baan. „Vraagje”, had het arm-plukkende meisje gezegd. „Ik wil u niet beledigen, maar bent u een Joodse Marokkaan?” En als hij dat nou wel was, kaatste Baâdoud terug. Wat dan? „Dan respecteer ik u.” Zelfs als het een politiek-correct antwoord is, dan betekent het in elk geval dat ze wéét dat ze dat moet zijn.

In de leraarskamer vertelt een van de teammanagers van school dat hij als student samen met de Italiaanse Tony stage liep. Mohamed kwam altijd op tijd, had altijd zijn werk af, Tony was een stuk nonchalanter. Na een paar weken riep de stagebegeleider Mohamed bij zich. „Ben jij nou Tony of Mohamed”, vroeg ze. Euh? Mohamed doet het gebaar na dat hij destijds maakte: wat denk je zelf? „Jij gedraagt je als een Tony en Tony gedraagt zich als een Mohamed”, had de begeleider gezegd. Zij vond dat een compliment.

,,Je gaat wel naar een Nederlandse huisarts”, had Baâdoud tegen de klas gezegd. „Straks ben jij zelf die Nederlandse huisarts.” De kinderen hadden geknikt.

Drie of vier generaties duurt het nog, zegt Baâdoud na afloop, eer we ons in Amsterdam kunnen voelen zoals ze zich in New York voelen.