U blijft nog even? Gezellig!

Een tijdlang hadden in de discussie over zin en onzin van godsdienst atheïsten het voortouw. Nu slaan sommige theologen terug met dezelfde middelen: wetenschappelijke en filosofische argumenten. Maar helpt het?

Hoe zou het met God zijn? Is hij nog wel netjes dood, na de tumultueuze jaren van ‘religiekritiek’ in Nederland, met alle pleidooien voor secularisme, onrust over de islam, de SGP en het wettelijke verbod op godslastering? Of hebben die polemieken hem juist tot leven gewekt?

Afgaande op de oogst in de boekhandel is het debat óver hem nog levendig en wie weet een nieuwe fase ingegaan. Atheïsten hebben het er nog steeds druk mee, maar sommige cerebrale gelovigen zeggen nu ook iets terug. Niet vanaf de kansel, of eigentijds uit de ballenbak van een oecumenisch gesprekscentrum, maar met dezelfde middelen als waarmee zij worden bestreden: argumenten. Vorig jaar verscheen zelfs een nieuwe Christelijke dogmatiek, na jaren waarin Kuitert de toon zette. En de auteur van het Atheïstisch manifest (1995, 2004) blijkt een promovendus te hebben gehad die zich ontpopt als de gelovige co-auteur is van het boek God bewijzen.

Dat maakt de poldertwisten over godsdienst wel zo interessant. Want ondanks het seculiere enthousiasme leek de Nederlandse religiekritiek toch vaak niet meer dan een fletse reprise van de negentiende eeuw. Toen hadden we Marx, Nietzsche en Comte die het mes zetten in godsdienst, nu kregen we vooral napraters van Richard Dawkins of Life of Brian.

Wat levert dat op, kort voor de Kerst?

De aanklacht

Eerst toch maar weer de atheïsten aan het woord. Om te beginnen een Brit die zijn ‘nieuwsgierigheid’ naar godsdienst niet heeft kunnen bedwingen. Van deze Matthew Keane komt An Atheist’s History of belief, dat in januari in vertaling verschijnt. Een boek voor een groot publiek, waarin de fictieschrijver Keane de vraag onderzoekt waar godsdienst vandaan komt – en waar die goed voor is. Zijn antwoord: godsdienst komt uit de menselijke verbeelding, en dient om angsten te bezweren.

Ach ja, dat zijn eerder clichés, allang ingesleten in het moderne bewustzijn, dan nieuwe antwoorden. Maar voor Keane zijn ze dan ook vooral een opstapje, een sinaasappelkistje voor een conference over de geschiedenis van godsdienst. Van Göbekli Tepe, een prehistorisch ‘heiligdom’, via de rituelen van Mesopotamië, de ‘uitvinding van het paradijs’ in Egypte; de ene God van Israël, Jezus en ‘de uitvinding van de Eindtijd’, de islam – tot aan moderne esoterische uitwassen als de theosofie van de negentiende eeuw en de Scientology van de twintigste. Reichsführer-SS Himmler komt ook nog even langs, in de context van neoheidense rassenwaan.

Zeker een onderhoudend boek dus, dat alleen niets oplevert wat we al niet meenden te weten. Keane’s reductionisme (religie = angstremmer) gaat bovendien irriteren, net als zijn iets te toffe stijl, met vondsten als ‘een cape Canaveral voor dode heersers’ (de piramides), ‘een postume promotie’ (over Jezus) en een Jezus die ‘in de lift’ zat – en daar nu vast zit? Wie echt iets wil weten van de sociologie van religie is geholpen met de literatuurlijst.

Ook Atheïsme als basis voor de moraal van de Belgische moraalfilosoof Dirk Verhofstadt heeft een helder uitgangspunt: ‘Godsdiensten vragen blind geloof van mensen, met alle gevolgen van dien.’ En de gevolgen van dien zijn: afkeer van andersdenkenden, plezier en lust; verheerlijking van lijden; afkeer van vrouwen en homo’s; onverschilligheid tegenover armen en sympathie met onderdrukkers.

O ja, zo zat het. Weten we dan ook weer.

Met die catalogus van zonden doelt Verhofstadt vooral op christendom en islam. Steen des aanstoots in die godsdiensten is voor hem onder meer – net als voor zijn Nederlandse evenknie Paul Cliteur – de pretentie dat zonder godsdienst elke basis voor moraal wegvalt. Hij stelt daar een ‘atheïstische’ moraal tegenover met ‘tien seculiere geboden’. Zoals: bemin de mens; help medemensen in nood, verdedig de zwakken, wees nieuwsgierig.

Verhofstadt redeneert bevlogen, maar beweert veel meer dan hij hoeft te bewijzen. Zijn boek levert eerder een argument op voor secularisme als basis voor publieke moraal, dan voor militant atheïsme. Ook schiet hij door in zijn afkeer van religie en enthousiasme voor een evolutionaire benadering van moraal. Bij een Korancitaat over de Schepping (‘Ik ga een mens uit steenaarde scheppen’) merkt hij schoolmeesterachtig op : ‘Sinds Darwin weten we dat dit niet klopt’. Check. Maar moesten we religieuze taal volgens secularisten niet juist figuurlijk interpreteren?

De verdediging

Het opmerkelijkste apologetische boek over geloof dat onlangs is verschenen, is God bewijzen van het duo Stefan Paas, hoogleraar theologie aan de VU en Rik Peels, filosoof aan die universiteit. Een boek dat onbeschroomd de handschoen van Herman Philipse opneemt, door te willen beredeneren dat geloof ‘prima’ rationeel te verdedigen is. ‘On-Nederlands argumentatief’ is dit boek zelfs, volgens een aanbeveling van: Herman Philipse.

Het boek is vooral opmerkelijk, omdat in de verdediging van religie door Nederlandse theologen vaak eerder de non-cognitieve vluchtstrook wordt genomen: religie is iets héél anders dan wetenschap of logica en niet geschikt om op het ‘Procrustes-bed’ van de logica te leggen. Geloof staat dichter bij poëzie en verhaalkunst.

Paas en Peels gaan juist gretig de rationele confrontatie aan, met argumenten die van Amerikaanse import zijn. Ze putten uit het invloedrijke werk van Amerikaanse theïstische filosofen als Alvin Plantinga, die met behulp van analytische filosofie godsgeloof weer intellectueel respectabel proberen te maken. Plantinga revitaliseerde met modale logica zelfs – net als Kurt Gödel eerder – het ontologisch godsbewijs (het bestaan van God afleiden uit het begrip van God als perfect wezen).

Geloof in God is in deze theologische school een properly basic belief, een overtuiging die natuurlijk en rationeel is, ook al hebben wij er geen bewijzen voor. Waarom zou dat ook moeten? We koesteren talloze redelijke overtuigingen, zonder ze te kunnen bewijzen – en zo staat het ook al in die nieuwe Christelijke dogmatiek.

In navolging van Plantinga draaien Paas en Peels de zaken dus om: niet gelovigen moeten ‘eerst eens’ aantonen dat God bestaat, atheïsten moeten aannemelijk maken dat Hij niet bestaat. En ja, alle atheïstische argumenten worden vervolgens door Paas en Peels te licht bevonden. Ergo: gelooft u rustig door. Sterker nog, met hun eigen catalogus van gevolgen van dien (‘religie is goed voor je’, ‘religie is nuttig’) beweegt hun betoog zich tussen ‘het is redelijk om in God te geloven’ en ‘het is onredelijk om niet in God te geloven’.

Immers, ‘God zit in ons systeem’, schrijven Paas en Peels monter, met een echo van de calvinistische sensus divinitatis, het aangeboren godsbesef dat wel wordt gebruikt om te beredeneren dat er geen echte atheïsten bestaan (wat toch heel anders klinkt dan het diagnostische ‘ongeneeslijk religieus’ van Kuitert).

Maar hoe solide zijn hun argumenten?

Aantrekkelijk aan dit boek is de toegankelijke, bijna gemoedelijke uiteenzetting van argumenten voor en tegen godsgeloof. Daarmee is het een originele interventie in het debat – juist buiten de Bible Belt, ook al sluipt er soms een wat toffe catechisatietoon in (zoals in de retorische vraag of iets niet ‘een tikkie ongeloofwaardig is’)

Maar over de vraag wat een properly basic belief nu precies is, met alle epistemologische gevolgen van dien, valt meer te zeggen dan de auteurs doen. Het probleem blijft dat de filosofische ‘God’ die zij verdedigen, als oorzaak van het universum, een begrip is dat buiten alle normale categorieën moet vallen. Dat maakt de vergelijking met andere ‘basale’ overtuigingen, zoals dat ik nu dit artikel schrijf, problematisch zo niet bij voorbaat scheef.

Bovendien, God mag in ons systeem zitten, hij woont wel elders. Want Gods complexiteit is ‘een heel ander soort complexiteit’ dan we in de wereld aantreffen. En, op een ander front, het zou ‘megalomaan’ zijn om altijd te willen begrijpen waartoe in Gods plan het kwaad dient. Geloof in hem is dus natuurlijk, maar zijn wegen blijven ondoorgrondelijk. Ook dat staat ver af van de meeste basale overtuigingen.

Hoewel zijn bestaan ook wel te verifiëren is, lezen we, maar alleen op een manier die ‘past bij God’, namelijk in de religieuze ervaring of bij het Laatste Oordeel. Maar ja, zo beloven zelfs de trompetten van het Laatste Oordeel vooral een oefening in begging the question.

Zo is dit lezenswaardige boek vooral een moderne herleving van rationele theologie, inclusief bewijzen dat het bestaan van God ‘waarschijnlijk’ is. Kortom, een theologie waar de grote protestantse dogmaticus Karl Barth zo hartstochtelijk mee wilde afrekenen: kennis van God, aldus Barth, is immers alleen mogelijk in Gods Woord, ‘en nergens anders’. Het geloof is niet voor niets, dixit Paulus, ‘een schandaal’ voor de wereld. Toch een ander uitgangspunt dan dat het ‘prima’ is om te geloven.

Voor wie het spiegelbeeld van Paas en Peels wil zien, is er het doorwrochte God in the Age of Science? van Herman Philipse, het vorig jaar verschenen vervolg op zijn Atheïstisch Manifest. Met Paas en Peels deelt hij de overtuiging dat rationele theologie zo niet prima, dan toch mogelijk is, en bij hem zelfs onmisbaar voor wie godsdienst wil verdedigen ‘in een wetenschappelijk tijdperk’. Vervolgens blijken rationele theologische argumenten volgens hem uiteraard allemaal onhoudbaar.

Een waarschuwing: ondanks de kantiaanse ondertitel, A Critique of Religious Reason, is de studie vooral opgezet als afrekening met één filosoof, de Brit Richard Swinburne – zoals Philipse al eerder, in Heidegger’s Philosophy of Being (1998), een Duitse denker ten grave wilde dragen.

Swinburne is volgens Philipse de beste eigentijdse verdediger van rationeel theïsme, en daarom zijn doelwit voor een minutieuze behandeling. Dat maakt deze studie een zware klus, niet alleen voor leken, maar voor iedereen die Swinburne nu ook weer niet zó interessant vindt.

Met zijn gehechtheid aan rationele of natuurlijke theologie, een speelveld waarop hij met zijn logisch-analytische methode ook het beste uit de voeten kan, houdt Philipse niet alleen godsdienst als paulinisch ‘schandaal’ buiten de deur, maar ook andere, modernere interpretaties die de niet-cognitieve aspecten van religieuze taal, rituelen en doctrines onderstrepen.

Die vinden we wél in een bescheiden maar eigenzinnig boekje van twee Nederlandse filosofen die het vakkundig omgewoelde strijdtoneel verlaten, het stof van hun jasje kloppen en doen wat filosofen óók moeten doen: nieuwe vragen stellen.

In Religie zonder God, een dialoog wisselen Ger Groot en Theo de Boer van gedachten over de toekomst van religie ‘zonder God’. De Boer ziet in de aanhoudende polemieken over vooral het bestáán van God een lange echo van de theologie van de Verlichting, die van een filosofische God ‘het hoogste zijnde’ maakte.

Volgens De Boer, emeritus hoogleraar aan de VU, is die weg doodgelopen, en is het repeterende debat tussen atheïsten en theïsten vooral een schaduwgevecht. Hij verwacht meer van een narratieve of ‘Bijbelse’ theologie, die mikt op transcendentie zonder metafysica. Niet op bewijzen of weerleggen, maar op ‘de hoop dat er iets is in de kosmos dat uitstijgt boven the survival of the fittest’, waarbij het kan gebeuren dat het woord God ons ‘invalt’.

Groot, hoogleraar in Nijmegen en verklaard ongelovig, bouwt daarop voort met subtiele beschouwingen over het religieuze ritueel als een menselijke praxis die geen kennis biedt, maar betekenis sticht.

De artikelen van de twee zijn niet eenvoudig en zelfs weerbarstig, juist omdat ze de valkuilen van het Dawkins-debat vermijden. Maar de dialoog Religie zonder God is daarmee wel een fascinerender onderneming dan er nog maar eens met de hamer op los gaan, of betogen dat de hamer eigenlijk ook maar een aambeeld is.

Afgaande op dit palet aan boeken, is die overzichtelijke tijd van hamer en aambeeld toch al voorbij – eindelijk.

Dan kan God ook weer een tijdje mee.

    • Sjoerd de Jong