Swiebertjes bestaan niet meer

Rond Kerst kom je ze weer vaker tegen: de mensen van het Leger des Heils, vooral bekend van collecteren en het van straat plukken van daklozen bij strenge vorst. Maar de organisatie – al decennia kantoor houdend op de Wallen – doet meer.

Het is vrijdagavond, rond negenen, en het is 4 graden buiten. Hans (48) schudt een witte zak op straat leeg. Een paar mannen in dikke jassen en truien buigen zich over de schoenen die uit de zak vallen; gympen zonder veters, gympen met vaalblauwe Adidas-strepen aan de zijkant, een paar sneeuwschoenen. Maar er liggen vooral veel damesschoenen op de stoep: leren laarzen met hak, slippers, flatjes. De mannen zijn snel uitgekeken op de hoop schoeisel. Slechts één heeft er geluk: die vindt een paar passende sportschoenen. „Dit is toch niets”, lacht Hans. „Slippers in de winter. Er zit vandaag weinig tussen.”

Hans is vrijwilliger bij het Leger des Heils. Hij wil niet met zijn achternaam in de krant – „Ik wil niet dat mensen over mij zeggen: kijk die Hans nou eens goed bezig zijn.” Een paar keer per maand rijdt hij mee met de soepbus om brood, soep, dekens – en soms kleding – uit te delen aan de dak- en thuislozen van Amsterdam. Al tien jaar lang. Hij is vanavond met drie andere vrijwilligers op pad: Eric Wilbers (50), Gert Tinga (54) en Valesca Santoki (33). Ze zijn allen gekleed op de winterse kou. Een blauwe jas van het Leger des Heils – together we’re one, staat er op de rug – robuuste bergschoenen, een muts.

Drie keer per week rijdt de soepbus van het leger door de stad. Op maandag-, woensdag- en vrijdagavond. Elk van die avonden rijdt de bus dezelfde route. Vertrek: Amsterdam-Oost; want daar wordt de soep gekookt. Eerste stop: de NDSM-werf in Noord. Nummer twee: het Westerdok. Eindpunt: de Hoogte Kadijk.

Deze vrijdagavond is het rustig bij de eerste stop in Noord, héél rustig. Normaal komen er twee of drie mensen langs voor een kom soep. Vanavond is er helemaal niemand. Na twintig minuten stappen de vrijwilligers het busje weer in. Gelukkig zit de stemming er goed in. Santoki – die als enige van de vier ook doordeweeks bij het Leger des Heils werkt, als nachtbewaker bij een vrouwenopvang – wordt bestookt met vrolijke vragen. „Jullie mogen bij het Leger toch niet drinken?” „Niet tijdens werktijd nee.” „En hoe zit het dan met seks?” Bulderlach.

Pas op het Westerdok kunnen de vier vrijwilligers laten zien dat ze een geoliede machine zijn. Daar staan circa twintig man te wachten. Wilbers deelt, zittend op de achterbank, het brood uit. Witte en bruine boterhammen met kaas of worst. Hans loopt rond met flyers voor het kerstdiner. Santoki deelt staand voor de laadbak de koffie uit, Tinga doet de goulashsoep, een goed gevulde. Geduldig maken ze met wie dat wil een praatje.

En als het eten verdeeld is, is het tijd voor de schoenen en de dekens. Die laatste delen ze een beetje stiekem uit, want er zijn er niet genoeg voor iedereen. De vrijwilligers kijken en beslissen wie het het koudst heeft.

Bankje Vondelpark

Zoals Andre, die uit Canada komt. Hij is een paar jaar geleden naar Amsterdam gekomen en kan naar eigen zeggen niet meer terug omdat hij geen papieren heeft. Zo goed mogelijk heeft hij zich tegen de kou gekleed, vertelt hij: laag over laag over laag. Maar voor aankomende nacht, die hij waarschijnlijk op een bankje in het Vondelpark gaat doorbrengen, is dat niet warm genoeg.

Voor Andy is de kop goulashsoep voor vanavond wel genoeg warmte. Hij komt al enige tijd bij de soepbus. Soms één keer per week, soms twee. Andy wil best vertellen waarom hij op de straat leeft: zijn baan bij de Marine werd wegbezuinigd, en vlak daarna ging zijn vriendin ervandoor met al zijn geld én de huisraad. „Maar”, zegt hij, „er is nog meer.” Een trits aan traumatische ervaringen volgt: een ongelukkige jeugd, een gewelddadige stiefvader, een overleden moeder, seksueel misbruik.

Iedereen die bij de soepbus komt – vooral mannen – heeft een eigen verhaal. De één kwam uit Oost- Europa naar Nederland om te werken - maar vond geen baan. Een ander had werk, maar werd ontslagen. En weer een ander kwam hier voor een beter leven, maar had de juiste papieren niet.

„Het is moeilijk in te schatten wat je kan geloven”, zegt Wilbers, die al vele jaren als vrijwilliger bij het Leger des Heils werkt. In die tijd heeft hij allerlei mensen met allerlei problemen voorbij zien komen. Ook vanavond maakt hij met veel mensen een praatje. „Eerst geloofde ik alles wat mij verteld werd, toen helemaal niets meer. Nu kan ik beter inschatten wat waar is en wat niet.” Niet dat de mensen opzettelijk liegen – maar degenen die aankloppen bij het Leger des Heils, hebben vaak wel psychiatrische problemen, of zijn bijvoorbeeld verslaafd.

„Het Leger des Heils staat erom bekend de mensen met de zwaarste problemen te helpen”, zegt Ferdinand van de Velde. Hij is clustermanager in Amsterdam en zodoende onder meer verantwoordelijk voor de crisisopvang in het centrum en het instroomhuis in Oost. „Zij kunnen nergens anders terecht.”

Het is inderdaad de taak waar het Leger bij het grote publiek om bekend staat: (verslaafde) daklozen helpen. Nog bekender zijn de teams van het Leger des Heils en andere maatschappelijke organisaties die bij vorst de straat op gaan. Bij de eerste temperaturen onder het vriespunt gaat er een signaal vanuit Utrecht naar de vier grote steden dat het tijd is om iedereen van de straat te halen. De mensen die geen slaapplek binnenshuis hebben, worden door de teams meegenomen naar de winteropvang. Dit jaar is de opvang in de voormalige Valeriuskliniek in Zuid. Jaarlijks brengen daar zo’n driehonderd dak- en thuislozen de Amsterdamse winter door.

Hardnekkig beeld

Het Leger des Heils als laatste toevluchtsoord voor daklozen kreeg onder Majoor Bosshardt gestalte, de in 2007 op 94-jarige leeftijd overleden ‘oermoeder’ van het Leger. Zij was het die het Leger bekendheid gaf in de media; alom bekend is het beeld van de majoor en Herman Brood aan het zwembad in Villa Felderhof. Onder haar verwierven ook de donkerblauwe uniformen met het rode logo, de legerrangen (kapitein, luitenant, heilsoldaat) en de Strijdkreet, het evangelische clubblad – het bestaat nog steeds – bekendheid. Wie in een café zat in de binnenstad kon er bijna op rekenen dat vroeg of laat een collectant van het Leger binnen zou komen; wie geld gaf, kreeg de Strijdkreet ongevraagd overhandigd. En welke Amsterdammer kent ze niet, de mannen en vrouwen in het bekende uniform, pet of hoedje op, staand op de Dam of voor de Peek & Cloppenburg in de Kalverstraat, collecterend bij een rode kerstpot? Zo ontstond een wellicht wat romantisch beeld van een christelijke welzijnsorganisatie – een beeld dat vooral rondom Kerstmis nog steeds aantrekkingskracht uitoefent op mensen.

„Het is een hardnekkig beeld”, zegt directielid Harry Doef. „En dat is niet per se verkeerd. Al bestaan de Swiebertjes niet meer. De moderne dakloze ziet er verzorgd uit.” Daarnaast, zegt Doef, „doet het Leger veel meer”. De organisatie telt in Amsterdam alleen al 48 locaties, waar circa 1.100 mensen werken. Plus nog eens tussen de twee- en driehonderd vrijwilligers. Op die locaties verzorgt het Leger des Heils bijvoorbeeld professionele hulp aan families van terminaal zieke kinderen, biedt het thuiszorg voor verslaafden, helpt psychiatrische patiënten. Verder zit de organisatie in de reclassering, de jeugdzorg en de ouderenzorg. Het valt allemaal onder het maatschappelijke werk van het Leger des Heils. „De kerkelijke tak”, zegt Doef „dat zijn de rangen, de uniformen, de Strijdkreten.”

Condooms en cola

Hij vertelt over zijn organisatie in een pand op de Wallen, aan de Oudezijds Achterburgwal; een meeting point van het Leger. Prostituees kunnen er terecht voor condooms (10 cent), een blikje cola (50 cent) of advies (gratis). Ze kunnen er douchen, wat hangen en eten, of de eerste stap zetten naar een ander bestaan, bijvoorbeeld door ze naar de juiste instanties te verwijzen. In de ruimte staan groene en oranje stoelen, een kaptafel met make-up, een lange houten tafel, een televisie.

Circa 60 miljoen euro gaat er om in de Amsterdamse afdeling van het Leger des Heils, vertelt Doef. Het grootste deel daarvan komt binnen via de overheid, via het Rijk of de gemeente. De organisatie krijgt het geld bijvoorbeeld via volksverzekering AWBZ, de algemene wet bijzondere ziektekosten. De komende jaren zal het Leger des Heils het vanwege de bezuinigingen, net als veel andere zorginstellingen, waarschijnlijk met minder geld moeten doen. Wat die bezuinigingen concreet voor het Leger gaan betekenen, is nog afwachten. De Gemeente Amsterdam moet eerst bedenken hoe ze het budget dat ze van het Rijk voor langdurige zorg krijgt, gaat besteden. Slechts een klein deel van het geld, ongeveer 10 procent, komt het Leger binnen via giften en collectes.

De christelijke grondslag van het Leger speelt in de hele organisatie nog steeds een belangrijke rol. Medewerkers moeten „betrokken christen zijn”, staat er in de vacatures. En een „positief christelijke levenshouding” hebben. Het Leger is er voor iedereen – maar niet als het medewerkers betreft. Volgens Doef is het te vergelijken met een socialistische vakbond: daar zitten ook geen liberalen tussen.

Naar de kerk gaan hóéft niet. Maar de christelijke moraal is wel wat de organisatie bindt. „Als je het ziet”, en dan doelt Doef op verslaafden, mensen met een psychiatrische aandoening, daklozen, „ben je verantwoordelijk. Dan kan je het niet aan je voorbij laten gaan. Dát is het Leger des Heils.” Want: „Iedereen denkt namelijk als hij jong is: ik ga het later maken. Niemand denkt: ik ga op mijn 18de achter het raam staan. Of verslaafd raken en onder een brug slapen.”

Dat is ook waarom de vier vrijwilligers een paar keer per maand met de soepbus meegaan. Het beste is om het werk met een lach te doen. Santoki: „De mensen zelf zijn al zwaarmoedig genoeg.” En dus kan je beter maar lachen om slippers die in de winter in de zak met schoenen zitten.

    • Annemarie Sterk