Ontroerd door een man met een baard en flarden realiteit

Al voor ik iets had gelezen werd ik ontroerd door de foto van Jacq Firmin Vogelaar. In het voormalige ramsjpaleis van de firma De Slegte in Amsterdam – binnenkort definitief gesloten – is de standaardkorting vijftig procent. De dichtbundels zijn er onderuit gegleden op de planken, wachtend tot de laatste verhuizer ze met één gespierde armzwaai in de oudpapierbak zal vegen. Dit ongetwijfeld onder luid applaus van Max Pam, die deze week in De Volkskrant likkebaardend constateerde dat ‘in Amerika’ schrijvers die niet genoeg boeken verkopen (hij had het over P.C. Hooftprijswinnaar Willem Jan Otten) in de Pizza Hut gaan werken. Hij vervolgde met een hatelijke en voorspelbare uithaal over het teveel aan subsidie – en iets met de elite. In Amerika, zo vervolgde Pam agressief, zou het snel gedaan zijn met het rustige leventje van Willem Jan Otten.

Ja ja, in Amerika. Ik zou ook wel willen dat het hier wat meer op Amerika leek. Dan waren alle medewerkers van de Pizza Hut verstandiger dan Max Pam, had Marente de Moor de beste taartenwinkel van het land en was de P.C. Hooftprijs opgehoogd naar een half miljoen door tussenkomst van de winkeliersvereniging uit de gelijknamige straat in Amsterdam (Oger, do you hear me?)

Terug naar de Kalverstraat, waar ik in voorheen De Slegte toch nog vond waarnaar ik op zoek was: twee oude, ‘experimentele’ romans van Jacq Firmin Vogelaar: De komende en gaande man (1965) en Vijand gevraagd (1967). Bij het lezen over de dode Vogelaar realiseerde ik me dat ik nooit iets van zijn zo vaak beschimpte ‘experimentele’ werk had gelezen. Achterop het eerste boek stond een rokende man met veel baard, half afgekeerd van de lezer en de tekst: ‘De komende en gaande man bevat fragmenten realiteit, waarin een ‘iemand’ belaagd wordt door de wereld rondom hem, door krachten die hij zoekt uit te schakelen om volledig zichzelf te kunnen zijn.’

Flarden realiteit was een adequate omschrijving van het boek, ontdekte ik: een man daalt de trap af om de post te halen, de buren maken ruzie en voor pagina dertig was ik de draad kwijt. Het is echt geen goed boek.

Maar toch. De gedachte dat die – toen nog best jonge – man met baard zich volledig overgaf aan de literatuur, raakte me. Het volgende boek noemde hij Vijand gevraagd, lang voor rancuneuze columnisten schrijvers hun ‘rustige leventje’ zouden misgunnen. Bij Vogelaar zag ik iets anders, het verlangen om iets nieuws te maken. En het geloof dat het kón, los van de hoeveelheid mensen die het zou begrijpen of waarderen. Het is het oudste geloof uit de literatuur.