Kritiek op NSA begint met gevoel voor taal

Toen een Amerikaanse rechter de praktijken van de inlichtingendienst NSA deze week ‘bijna Orwelliaans’ noemde, was de tevredenheid bij critici van de dienst groot. Eindelijk had een rechter het massaal verzamelen van telefoon- en internetgegevens scherp veroordeeld, ja zelfs ‘vrijwel zeker in strijd met de Grondwet’ genoemd. Een enkeling vroeg zich alleen af waarom de rechter het woord ‘bijna’ niet had weggelaten.

In het vonnis heeft hij dat niet toegelicht. Maar wát hem ook bewogen heeft om het schrikbeeld van Big Brother nog niet helemaal uit te spelen, hij liet er in elk geval mee blijken gevoel voor taal te hebben. Want dat de grootscheepse snuffeloperatie van de NSA ‘Orwelliaans’ is, horen we al maanden. Het is allang een cliché geworden. Maar door één stapje terug te doen maakt de rechter het begrip weer interessant. Hoe ver zijn we dan eigenlijk verwijderd van de volledig Orwelliaanse wereld, vraag je je af als je dat leest. Nog één onthulling, één nieuwe versie van de iPhone of één Amerikaanse president?

Een verrassend gevoel voor taal blijkt ook uit het het rapport over de NSA dat vijf onafhankelijke adviseurs woensdag uitbrachten aan president Obama. Het is een glashelder en opmerkelijk kritisch stuk. De naam van Orwell valt niet, maar de auteurs delen wel de overtuiging van de grote Britse schrijver dat taal in de politiek een sleutelrol speelt en gevaarlijk kan zijn.

Obama en de NSA rechtvaardigen de methodes van de inlichtingendienst steevast met het argument dat de veiligheid op het spel staat. Maar er zijn twee heel verschillende betekenissen van het woord ‘veiligheid’, stelt het rapport. Sinds 9/11 is veiligheid voor de Amerikaanse regering bovenal bescherming tegen terroristische en militaire bedreigingen. Het is een hoofdtaak van iedere regering, erkennen de auteurs, om voor dat soort veiligheid te zorgen.

Maar daarnaast is er nog een heel andere betekenis van het woord veiligheid, en die „belichaamt een even fundamentele waarde” en moet even goed door de regering beschermd worden. Daarbij gaat het om „het recht van de mensen om veilig te zijn in hun persoon, huizen, documenten en bezittingen tegen onredelijke doorzoekingen en inbeslagnames”, zoals het vierde amendement bij de Amerikaanse Grondwet het noemt. Dat soort veiligheid is een onmisbaar onderdeel van het recht op privacy, „het recht om met rust gelaten te worden”, in de beroemde woorden van opperrechter Louis Brandeis („the right to be let alone – the right most valued by civilized men”).

In een vrije samenleving moeten mensen het gevoel hebben dat hun gesprekken en hun activiteiten niet in de gaten worden gehouden, leggen de auteurs van het rapport Obama geduldig uit. Ook dát is veiligheid, ook dát is cruciaal.

Meer dan eens heeft Obama gezegd dat het erom gaat ‘een balans’ te vinden tussen veiligheid en privacy. Je kan niet honderd procent van allebei hebben. De twee vormen van veiligheid staan soms op gespannen voet met elkaar, en we moeten dus een redelijk evenwicht tussen beide zien te vinden.

Dat klinkt aannemelijk, maar is misleidend, zegt het rapport in klare taal. Het hele woord ‘balans’ is verkeerd. Want in een vrije samenleving horen waarborgen te bestaan die in geen geval uitgeruild worden tegen andere belangen, die niet na een afweging op de weegschaal van de inlichtingendienst al dan niet nageleefd worden.

Obama neemt het rapport volgens Amerikaanse kranten mee op vakantie naar Hawaii. Het stuk bevat allerlei praktische adviezen, maar vooral enkele te makkelijk vergeten lessen. Zoals deze: „Vrije landen moeten zichzelf beschermen, en landen die zichzelf beschermen moeten vrij blijven.”

Juurd Eijsvoogel schrijft iedere vrijdag op deze plaats over internationale kwesties.

    • Juurd Eijsvoogel