Kan een aanraking meer zijn dan een gedoogbeleid

De tweede dichtbundel van Els Moors heet Liederen van een kapseizend paard. Die titel doet een duidelijke mededeling: in deze poëzie wordt zorgelijk gezongen. Het kapseizend paard komt in de gedichten niet voor, maar de aanwezigheid in de titel suggereert dat het leven – en vooral ook de liefde – bij Moors moeilijk balans vindt. Haar bundel is weliswaar geen zwanenzang, maar een feestlied ontbreekt.

In Moors’ eerste bundel, Er hangt een hoge lucht boven ons (2006), kwamen we al paarden tegen. Eenmalig toen, maar exemplarisch omdat de galopperende telgangers het kompas van de lezer ‘bij een ondergaande zon / tussen het aanrecht en de muur in’ op hol joegen.

Desoriëntatie is nog steeds essentieel in de poëzie van Els Moors. In haar nieuwe bundel zijn paarden en onderzeeërs wisselende, en daardoor wankele metaforen – net als kleuren. Blauw is een frequente tint in haar liederen, soms regelrecht gekoppeld aan viervoeters, zoals in de regels:

er is een bepaald soort blauw dat

staat voor het mennen van paarden

op de bok

voor het voortgetrokken worden door

honden

de term vooruitgang

als iets wat enkel bewerkstelligd kan

worden

achteraf door de pijn van de waar-

heid heen

Ontregelende beeldtaal eindigt hier in een bedachtzame conclusie. Dat gebeurt vaak in Moors’ liederen. Lezers van haar eerdere werk herkennen de collagetechniek, waarin beeldende contrasten de blik verschuiven. Het blikveld is nooit langer dan een couplet gefixeerd, en dat trekt je als lezer in een duizelende belevingswereld. Een bedachtzame conclusie, hoe schijnbaar onlogisch soms ook, is dan een welkome rem op de zweefmolen. Soms neemt de dichter haar lezer zelfs bij de hand – indirect, maar trefzeker:

De bomen nodigden uit tot wandelen

Met hun knoestige stammen en wijde

kruinen

Het pad volgde de bomen

En ik volgde het pad

De dichter inviteert haar lezers op het pad. In andere verzen houdt ze een spiegel voor of zet ze een onontkoombaar beeld neer, zoals in: ‘er ligt een vrouw op bed / en het lijkt wel alsof ze gevallen is / kijk die aap eens nadenken daarover / hij zit op haar buik en de schaduwen van de gedachten / van de aap vallen tussen de benen van de / gevallen vrouw’.

Liederen van een kapseizend paard is een rijke bundel. Rijk van taal, maar vooral ook beeldrijk. De combinatie van beeldend talent en taalplezier hadden tot vrijblijvend werk kunnen leiden, maar vrijblijvend is haar liedkunst allerminst. ‘Ik ben toch meer dan de woorden / die ik probeer uit te spreken,’ stelt Moors zelf, en zo is het.

Er staan gebeitelde passages en portretten in deze bundel. Een subliem voorbeeld vind ik het portret van Moors’ moeder.

oh mijn moeder

en haar wonderlijke woestijnkleuren

morgen schuift ze op

tot ze schaduw heeft gevonden

rijgt ze me aaneen

uit water bloemen

glas en ramen

en het devote kraken

van haar knieën

thee moet uit bladeren

worden getrokken en tranen

op hun beurt uit thee

het leven dat ik in de echte wereld leid

een geheim dat ze me nog

toevertrouwen zal

Hier draait de zweefmolen een rustig rondje. Taal noch beelden zijn overspannen, maar tussen de regels zindert het en valt te raden.

Bij herlezing valt op hoe ‘geëngageerd’ Moors’ verzen zijn. Facebook en Twitter ontbreken, maar dit werk had niet in een andere tijd dan de onze geschreven kunnen zijn. Het bezingt zwervers die in betonwijken onder karton slapen, cargoschepen en het casino passeren, er zijn apartheidsappelen uit Zuid-Afrika, en ‘The best of Julio Iglesias’ zet herhaaldelijk de toon . Maar in deze maatschappelijke overvloed zoekt de dichter wat er toe doet en stelt ze hamvragen als ‘staat wat ik liefheb / voor wat ik maar nauwelijks verdraag / kan een aanraking ooit meer zijn / dan een gedoogbeleid’.

Het is zeven jaar geleden dat Els Moors als dichter debuteerde. In de tussentijd schreef ze de roman Het verlangen naar een eiland (2008) en de verhalenbundel Vliegtijd (2010). Over haar proza heb ik als poëzielezer geen nuttig oordeel, maar met Liederen van een kapseizend paard zet Moors zich stevig op de kaart in ons dichtersland. Haar poëzie heeft een verrassend idioom, biedt een caleidoscopische blik op leven en liefde, is misschien geen heuse liedvorm maar zingt, en stuurt de lezer als ‘de vogel naar de geur van bloemen’.