Je maakt in een essay een omweg

Of hij nu schrijft over pornografie of God, Willem Jan Otten lijkt alles te willen essayeren. En tegelijkertijd wekt hij de indruk dat alles poëzie zou moeten zijn. „Zeker het essay. Dat streeft sowieso naar poëzie.” Voor zijn essays krijgt hij nu de P.C. Hooftprijs.

Foto Merlijn Doomernik

Dat hij het op een bepaalde manier nog eervoller vindt om de P.C.Hooftprijs te hebben gekregen kort nadat Gerrit Krol is overleden, zegt Willem Jan Otten. Krol was zo helemaal de belichaming van het essay, hij schreef en dacht vrij over dingen waar je nog steeds ongemakkelijk van wordt. En ook in de vorm was hij volstrekt onbevangen.

Durven denken, serieus durven nemen wat je voelt en dat dan overdenken, dat is waar Otten steeds mee bezig is. Hij begon zijn essayerende bestaan met stukken over toneel in Vrij Nederland en vestigde begin jaren tachtig zijn naam met beschouwingen over pornografie. Hij wilde weten waarom hij in een tijd die ons juist van onze schaamte over onze seksuele verlangens wilde bevrijden, zich toch schaamde over zijn pornografiegebruik. Op die essays is hij nog altijd wel trots, zegt hij. „Ik ben er trots op dat ik toen wilde begrijpen, openbaar, waarom ik me schaamde, in een tijd waarin ik juist bevrijd hoorde te zijn van mijn schaamte. Ik wilde mijn schaamte serieus nemen.

„Ik probeer niet onverzoenlijk tegenover pornografie te staan, maar het is een grote steen in mijn hoofd. We zijn nog niet eens begonnen met te begrijpen hoe diep pornografie ingrijpt in het hart van de mensen. Je wordt niet opgewonden van mooie onschuldige plaatjes, maar van macht, vernedering.”

Willem Jan Otten lijkt altijd bezig te essayeren. Terwijl hij tegelijkertijd de indruk wekt dat alles eigenlijk poëzie zou moeten zijn. „Zeker het essay”, zegt hij. „Dat streeft sowieso naar poëzie.”

Wat is poëzie dan?

„Waar, betekenisvol en mooi.”

Dat kan een essay ook zijn natuurlijk. Toch is een essay iets anders.

„Na afloop van een film die je van de sokken geblazen heeft, wil je weten waarom die je van de sokken geblazen heeft en van welke sokken.

„Als je door iets geraakt wordt heeft dat met poëzie te maken. Je wordt niet geraakt door een overtuiging, of doordat iemand zo mooi dogma’s verkondigt. Het heeft te maken met ‘nu begrijp ik iets niet’. Met een vraag.”

Hij spreekt over ‘aansluiting’ – als iets je raakt dan ben je ‘aangesloten’. Op de geest.

Wat heeft de geest te maken met een essay over bijvoorbeeld euthanasie?

„Dan probeer ik weerstand te bieden aan die enorm eendrachtige poging van de wereld om via het onderwerp euthanasie mijn aansluiting met hoe ik voel te verbreken, en mij te laten denken dat alles maar om het even is, en dat we zomaar mensen kunnen doodmaken.

„Als het werkelijk zo ligt dat als mensen dood willen, je ze ook moet helpen met doodmaken, en mij wordt bijna van bovenaf, bijna per oekaze opgelegd dat ik zo moet denken – dat is helemaal niet waar natuurlijk, want zo wordt het niet gezegd, maar zo voelt het wel – dan is het alsof er een soort samenzwering tegen de verbinding met mijn diepere gevoel is.

„Dus dan probeer ik toch min of meer per essay te bewijzen dat die veel ambivalentere houding ten opzichte van het zelfgekozen levenseinde, waarin je openhoudt dat degenen die dood willen dat óók misschien niet willen, bestaansrecht heeft.”

Is dat poëzie?

„Ja. De ‘dood is dood’-kant van het bestaan, is onpoëtisch.”

Want gesloten. Poëzie is open.

„Ja, in poëzie is altijd nog iets anders mogelijk. En dat is in het leven ook zo, het gaat altijd anders dan je denkt. Als iemand stervende is gebeuren er dingen die je niet van tevoren had kunnen bedenken. En dat niet afgebakende, dat is poëzie, zoals de Australische dichter Les Murray zegt: ‘een wet tegen afbakening’ .”

En daar gaat het u om, om het niet afgebakende?

„Dat is de bron. En tegelijk ook het doel. Je maakt in het essay een omweg, je legt het raster van je taal over alle overwegingen en de feiten en kennis die je hebt verzameld, en dan hoop je min of meer bij het doel uit te komen. Helemaal weet je dat niet van tevoren.”

Komt u wel eens heel ergens anders uit dan gedacht, bijvoorbeeld toen u over euthanasie schreef?

„Ja, ik zocht naar argumenten en ontdekte dat mijn argumenten nooit onomstotelijker zouden zijn dan die van de andere kant. Omdat ik de wet die ik uiteindelijk bleek te gehoorzamen, niet kon gronden in een argument. En voor de andere kant was er ook een wet: dat het wél mocht. In die zin zat er geen beweging in de discussie.

„Wat ik ervan overgehouden heb, is dat ik niet iemand anders moet hoeven vragen om mij te helpen met doodgaan. Ik heb het dan niet over de laatste fase, over het moment dat iemand crepeert – je weet niet hoe het dan zal zijn. Maar het gaat mij om het vroegere stadium. Ik wil zo leren leven dat ik mezelf niet met onherroepelijke besluiten hoef dicht te timmeren, dat ik mezelf niet zo heb afgebakend dat ik geen kant meer op kan met mijn gedachten en ervaringen.”

In een essay vergeleek u het schrijven zonder nog te weten waar je heen wilt, met het zich richten tot ‘Iets of Iemand’. Een vorm van bidden dus?

„Probeer maar na te gaan hoe het bewustzijn eruit zou zien als je niet tot iemand zou denken. Je doet het steeds, iedereen doet het, in of met of tegen jezelf praten, in gedachten tegen iemand anders praten. Zonder dat kun je helemaal niet denken.”

Niemand vindt in jezelf denken aanstootgevend, maar als je zegt: ik richt me tot God, wordt dat een beetje gênant gevonden.

„Dat heeft met godsbeelden te maken. Mensen zeggen dingen als: ‘Dan richt je je tot de sadist die de wereld heeft geschapen en niet eens ingrijpt’. Dat heeft niets te maken met wat ik bedoel.”

Gaat het in de kerk wel om wat u bedoelt?

„Ja. Daar begrijpen we hetzelfde niet, al weet ik best dat mensen daar ook intussen in hun neus zitten te peuteren . Ik vind dat het er altijd zo verdraagzaam uit ziet, zo’n massa die zich richt tot één punt. Er zit geen agressie in.”

De meeste mensen associëren kerken en religie juist met agressie.

„Dat is helemaal niet mijn ervaring. Wel als er gepreekt zou worden dat de heidenen uitgeroeid zouden moeten worden of zoiets, maar dat heb ik nog nooit gehoord.”

Heeft u zich wel eens geschaamd voor de katholieke kerk? Bijvoorbeeld met die misbruikschandalen?

„Ik ben niet zo’n katholiek die denkt dat priesters zoiets nooit zouden kunnen doen, ik zie de kerk niet als een ideale gemeenschap. Als je in de kerk zat in zo’n week dat er weer van alles naar boven kwam, was het wel erg zuur als er dan niets over gezegd werd. Dat gebeurde wel eens. Dan was het moeilijk om je niet te schamen. Maar als iemand zijn verschrikking uitsprak, schaamde ik me niet meer.”

De kerk bakent juist wel af.

„Dat is niet mijn ervaring. Iemand moet streng zijn en wetten stellen. Mijn ouders hadden nooit moeten scheiden. Toch ben ik ergens ook blij dat ze het wél gedaan hebben. Ik vind het goed dat de kerk scheiding absoluut afkeurt, maar op het moment dat het gebeurt, moet ze ook begrip tonen. Individueel rekkelijk zijn, maar streng in de wet, want zo’n wet doet recht aan de ernst van het leven, het wezenlijk tragische ervan. Op het moment dat je zelf wil trouwen wil je niet horen dat je ook best weer zou kunnen scheiden. Dat kleineert je huwelijk. Het verdriet van een scheiding heeft te maken met het gevoel dat het nooit had mogen gebeuren.”

U heeft een tijdlang, voor u katholiek werd, veel geschreven over de tragedie. Heeft dat iets in gang gezet?

„Ja. Ik zag toen, bijvoorbeeld Oidipous lezend, dat niemand tegen hem moest zeggen: je kon er toch niets aan doen. Achteromkijkend ziet een personage dat hij een wet heeft overschreden, eventueel onwetend, maar hij heeft het wel gedaan.”

Maar als er een kind zomaar voor je auto springt en je rijdt het dood…

„Dan heb je dat gedaan. Neem de treinbestuurder die iemand doodrijdt die op de rails loopt. Het helpt hem niet om te zeggen: ‘Je kon er niets aan doen’. Voor hem is het toch verschrikkelijk.

„Er zit in het leven altijd een moment waarop je doorgaat, verder gaat, ten koste van iemand anders. Dat is de tragiek van het leven, op bijna darwinistische wijze. Dat is wat de kerk de erfzonde noemt. Dat gewetensprobleem moet niet opzij geschoven worden. Dat is het te be-essayeren gebied.

„De tragedie is daarin onverzoenlijk – die schuld valt niet uit te boeten. Daarin vond ik de tragedie te erg. Ik lees die stukken, wel veel liever dan een of andere brave prediker, want je komt bijvoorbeeld door Euripides veel meer over jezelf te weten, maar ik vond het te erg. Te bar.”

Begin januari verschijnt bij uitgeverij Van Oorschot Willem Jan Ottens Een ridder van Engelse drop. Een keuze uit eigen werk.

    • Marjoleine de Vos