Jacq Vogelaar

Waarom moeten de mensen altijd eerst doodgaan voordat je gaat zeggen wat je aan ze had? Niet dat ik het niet wist, eerder. Maar ik heb nooit de moeite genomen om zoiets te schrijven als ‘Jacq, bedankt’. Nogal een stom briefje zou dat ook geweest zijn, dankbaarheid klinkt al gauw weeïg. Slijmerig. Wat moet iemand ermee, met het besef dat hij, gewoon door te doen wat hij graag deed, veel voor een ander heeft betekend?

Toch denk ik nu: Jacq Vogelaar had meer geëerd moeten worden. Door mij. Door iedereen die in literatuur geïnteresseerd is, en dan niet van die literatuur die zo lekker weghapt, het koekje bij de thee van het echte leven, maar literatuur die wat van je vraagt – en dan ook wat aan je geeft. Wat mooi is, is moeilijk noemde Gerrit Krol een essaybundel en dat is juist.

Vogelaar was de grootste lezer van ons land denk ik. Hij leefde lezend. Veel mensen menen dat lezen geen leven is. En het is waar, dingen ‘meemaken’ is van een andere orde dan lezen. Maar veel dingen kun je alleen maar benaderen, zien, overdenken, door te schrijven en te lezen.

Op een dag in 1999 zat ik in de trein, op weg naar Landgraaf. Ik las: het tijdschrift Raster, nummer 88, over Varlam Sjalamov, een Rus van wie ik nog nooit gehoord had. Hij had korte verhalen geschreven over het leven in een Sovjetstrafkamp.

Vogelaar introduceerde hem in Nederland, hij had fragmenten van hem vertaald uit het Engels, hij schreef over het verschrikkelijke leven van deze Rus en over zijn drang om te schrijven. Ik reed mijn station voorbij. Stapte verkeerd uit ergens op een stationnetje met niets en niemand, waar ik lang moest wachten.

Gaf niet. Ik las. Over de dwergden die zich neerlegt bij hevige kou en die, als hij zich in het voorjaar opricht, voor de gevangenen in Kolyma het eerste teken is dat de kou zal afnemen. Over gevoelens die verdwijnen op de bodem van de hel, zoals Sjalamov schreef. Ik las dingen die ik nooit had gelezen, niet zo. Over levensdrang. Over grondeloosheid. Over schrijven.

Later gaf De Bezige Bij een dik boek met Sjalamovs verhalen uit dat een behoorlijk succes werd – zoiets stemt hoopvol.

Raster, het tijdschrift dat voor een belangrijk deel werd gevoed en gedreven door Vogelaar, was een soort leid-ster. Daarin kon je schrijvers vinden die voor het eerst in het Nederlands werden vertaald, of je las er over schrijvers die je al kende maar die je nog nooit zó gelezen had. Het Danilo Kis-nummer! Het nummer over Miroslav Krzla!

Maar het ging niet alleen om het vinden van schrijvers. Het ging ook om een bepaalde houding, eentje die belichaamde dat literatuur er alles toedoet. Niet uit een soort geloof in iets hogers, maar eerder uit een grenzeloze nieuwsgierigheid. Die nieuwsgierigheid was er toch vooral op gericht om iets te weten te komen van hoe mensen denken en leven, en dan vooral mensen die reflecteren op hun eigen ervaringen, die niets als vanzelfsprekend aannemen, die het leven, zelfs onder de zwaarste omstandigheden, verkennen en bevragen. Dof of saai zijn de dingen alleen als de geest het laat afweten. Of gedwongen wordt het af te laten weten.

De dingen bemoeilijken met behulp van intellect, stijl, filosofie, andere schrijvers, toonaarden en standpunten – dat maakt het leven de moeite waard.

Toen Raster nog bestond wist je altijd wat je moest gaan lezen. En je wist dat niets ongecompliceerd was. En dat lezen uiteindelijk ontzaglijk veel met leven te maken heeft.

Dankzij Vogelaar leefde ik hartstochtelijk, die jaren.

Ik zou kaddisj willen zeggen: Zijn nagedachtenis zij ons tot zegen.

Marjoleine de Vos is redacteur van NRC Handelsblad.