Ik heb de tijd niet meer

‘Scheidsie?”, vraagt een speler van Team 1. „Je heb je klokkie toch wel stopgezet?”

Met nog twintig minuten op datzelfde klokkie staat het 1-0 voor Team 2.

„Ja, ja”, antwoord ik. „Hij staat stil hoor.”

De wedstrijdbal is in de dichtbegroeide bosjes beland en de keeper van Team 2 is erachteraan gedoken. Het duurt lang voordat de bal en de keeper weer ten tonele verschijnen. Hè hè, daar zijn ze. De bal wordt klaargelegd en ik druk de stopwatchfunctie van mijn horloge weer in.

„Scheidsie? Dit is toch gewoon tijdrekken?”

Ik reageer niet. De keeper heeft inderdaad weinig haast, maar voorlopig kijk ik het nog even aan.

De minuten op mijn horloge verstrijken. Team 1 doet verwoede pogingen om de gelijkmaker te produceren, maar de bal wil er maar niet in en daarbij heeft Team 2 het vertragen van het spel stilaan tot ware kunst verheven.

Het nemen van een inworp of een vrije trap gebeurt steevast op z’n dooie akkertje en als de bal buiten de lijnen is, duurt het telkens eindeloos voordat een van de slome spelers er weer mee aan komt zetten. Ik dreig met gele kaarten en zeg dat ik elke gepikte seconde bij de speeltijd op zal tellen.

Nog een kwartiertje te gaan. Een speler van Team 2 ligt geblesseerd op het gras. Hij doet alsof hij ter plekke gaat sterven, en meteen zet ik mijn stopwatch stil.

„Scheidsie?” Team 1 raakt steeds gefrustreerder. „Waar slaat dit nou op?”

„Rustig aan”, zeg ik, terwijl ik naar de kant gebaar dat een verzorger het veld in mag komen. „De tijd staat stil. Heus.”

De blessurebehandeling duurt meerdere minuten. Ik probeer de inmiddels al niet meer zo stervende jongen te bewegen om zijn lijden buiten de lijnen voort te zetten, maar zijn kwetsuur schijnt dat echt niet toe te laten. Ik kan hem moeilijk zelf het veld af dragen.

Eindelijk is de speler opgelapt. De bal rolt weer, en het spel hoeft zowaar minuten achter elkaar niet te worden onderbroken. Dat schiet lekker op.

„Scheidsie?”, vraagt een speler van Team 1. „Hoe lang nog?”

Ik kijk op mijn horloge.

O nee.

Al wedstrijden lang was ik me bewust van deze mogelijke blunder en juist dáárom gebeurde het me nooit. Vandaag is het dan toch zover gekomen. Mijn horloge geeft nog veertien minuten aan, maar de secondes tikken niet. De tijd staat stil. Ik ben straal vergeten om de stopwatch na dat bijna-sterfgeval weer in te drukken. De klassieke amateurscheidsrechtersfout.

„Nou?”, vraagt de ongeduldige speler.

Ik doe alsof ik heel nauwkeurig naar mijn pols tuur en zeg dan: „Nog zes minuten en een beetje.”

„Oké, scheidsie, bedankt.”

Blijkbaar klonk het best plausibel.