Iemand hier voor een aparte AOW-belasting?

Driemaal is scheepsrecht. Maar vier? Als ik goed geteld heb, is het ‘pensioenakkoord’ dat de staatssecretarissen Jetta Klijnsma (Sociale Zaken, PvdA) en Franse Weekers (Financiën, VVD) deze week naar de Tweede Kamer stuurden inmiddels zeker het vierde in ruim drie jaar.

Begin juni 2010 sloten de vakbeweging en de werkgeversorganisaties het eerste akkoord. Een radicaal plan. De pensioenen werden expliciet gekoppeld aan de beleggingswinsten of -verliezen van de pensioenfondsen. Te radicaal, in elk geval voor FNV Bondgenoten, dat met succes het ‘casinopensioen’ wraakte. De oppositie leidde tot een politiek pensioenakkoord in de Tweede Kamer, dat gebaseerd was op langer doorwerken maar ook mensen met zware beroepen tegemoetkwam. Akkoord nummer twee.

Het kabinet-Rutte I viel. Rutte II kwam met een nieuw akkoord, dat inzette op versobering van het percentage van je loon dat je jaarlijks fiscaal aantrekkelijk kunt sparen. Dat scheelt de fiscus miljarden. Politiek akkoord nummer drie.

Ook de uitvoering van dat akkoord verliep stroef. Het kabinet hing er nog wat toeters en bellen aan, maar redde het niet in de Eerste Kamer. Vandaar: akkoord nummer vier. De opgehangen toeters en bellen zijn weer verdwenen, maar er zijn wat aardige nieuwe initiatieven voor zzp’ers en huiseigenaren bijgekomen.

Wie alle akkoorden de revue laat passeren, begrijpt waarom pensioenfondsen de grootste moeite hebben om nieuwe, jongere bestuurders en deelnemers voor medezeggenschapsfora te vinden. Veel papier. Veel tijd. Veel complexiteit. Veel meer regels. Weinig eer van je werk.

Akkoord nummer vier roept de vraag op: hoe verder?

Tijd voor hét internationale ‘handboek’: Pensions at a glance. Een uitgave van de OESO, de denktank van de grote industrielanden. (Een verwijzing staat vanmiddag op m’n twitteradres @menno_tamminga). Niet echt pensioen in een oogopslag, wel 368 pagina’s. Gratis.

De vergelijking van Nederland met de ‘rest van de wereld’ (19 andere OESO-leden) leert twee dingen. De eerste is: het beschikbaar inkomen van Nederlandse 65-plussers is net iets beter dan het OESO-gemiddelde. Geen reden voor tromgeroffel of borstklopperij, ook al roemen politici en de pensioenwereld zichzelf graag. Luxemburg en Frankrijk trekken het gemiddelde omhoog, Denemarken en Australië halen het naar beneden.

Het tweede wat opvalt is onze karige overheid. De OESO becijfert het relatieve aandeel in het beschikbaar inkomen van de huidige 65-plussers van de drie beschikbare bronnen. 1. Overheidsbijdragen, zoals onze AOW. 2. Werk. En 3: opbrengst van vermogen, zoals pensioenuitkeringen op collectief of zelf belegd kapitaal.

Nergens is de relatieve bijdrage van vermogen zo groot als bij ons. Maar wat betreft overheidsuitkeringen is Nederland op zeven na de laagste. Dit pensioenakkoord betekent minder collectief sparen. Dat is politiek geforceerde versobering van juist de grootste inkomstenbron voor ouderen. Verarming dreigt voor wie niet zelf met pensioen aan de slag gaat. Of wil. Of de kennis en het geld mist.

Lost de politiek dat inkomensgat zelf ook weer op?

Een hogere AOW-uitkering kan het inkomensgat (deels) compenseren. Maar dat is kostbaar in de komende langdurige periode van vergrijzing. De AOW-premie komt nu voor rekening van de werkenden. Verhoging drijft de arbeidskosten op en schaadt onze concurrentiepositie. Andere optie: een toekomstig kabinet legt rijkere oudere kiezers een aparte AOW-belasting op. Ouderen voor ouderen.

Nu staat Nederland nummer één op het ‘oud is niet arm’-lijstje van de OESO. Politici weten dat het jaren duurt voordat de verschraling uit dit akkoord doordringt in de portemonnee van de kiezer.

Maarten Schinkel en Menno Tamminga schrijven in deze column over economische ontwikkelingen.