Huisvrouw en partner in misdaad

Er is weinig aandacht besteed aan de rol van de Duitse vrouwen tijdens de Tweede Wereldoorlog, terwijl velen er bewust actief aan deelnamen. Wendy Lower schetst de keuzes van dertien vrijwillige beulen.

Over de Holocaust verschijnen jaarlijks nog zo veel boeken dat je je in een cynische bui kunt afvragen of er nog iets aan toe te voegen is. Het belang van Wendy Lowers boek kan nauwelijks worden overschat. Na twintig jaar archiefonderzoek in Oost-Europa en honderden interviews (jammer genoeg niet opgenomen in het boek) levert ze met Hitlers Furiën het overtuigende bewijs dat vrouwen een net zo grote (zij het op punten afwijkende) rol hadden in de Holocaust als de mannelijke beulen over wie al zo vaak is geschreven.

‘Bijna alle geschiedschrijvingen over de Holocaust laten de helft van al degenen die deze samenleving bevolkten buiten beschouwing’, schrijft Lower. Alsof de geschiedenis van vrouwen elders plaatsvindt, geen effecten heeft en geen sporen nalaat. Routinematige vormen van vrouwelijke deelname aan de Holocaust zijn niet of nauwelijks belicht. Zolang Duitse vrouwen ingedeeld blijven worden in een andere categorie of hun politieke invloed gebagatelliseerd wordt, blijft de helft van een genocidale samenleving ‘begiftigd met onschuldigheid aan de misdaden van de moderne staat’ en wordt deze ‘buiten de geschiedenis zelf’ geplaatst.

Lower onderzoekt de rol van Hitlers vrouwelijke beulen aan het Oostfront en schetst tegelijkertijd een uitzonderlijk en huiveringwekkend beeld van een complete generatie jonge vrouwen die, opgroeiend in het ‘verslagen en tumultueuze Duitsland van na de Eerste Wereldoorlog’ in aanraking kwam met het gloeiende nationalisme van de nazi’s.

Door de levenslopen van dertien vrouwen met elkaar te vervlechten volgen we de brede transformatie van talloze jonge verpleegsters, leraressen, secretaressen en echtgenotes in getuigen, medeplichtigen en uitvoerders van de massamoorden in Oekraïne, Polen en Wit-Rusland, waar de ergste misdaden van het Duitse Rijk zijn begaan.

Meer dan een half miljoen jonge vrouwen (hun gemiddelde leeftijd aan het Oostfront was 26 jaar) trokken in de oorlogsjaren naar het Oosten. Ze waren niet alleen getuigen, stelt Lower, maar deden vaak actief mee. Wat dreef deze Duitse meisjes voor wie de naoorlogse jaren in het aangetaste, geknechte Duitsland de vormingsjaren waren geweest?

Lower zoomt in op de elementen die de leer van het nationaal-socialisme ondanks de vele tegenstrijdigheden voor vrouwen toch aantrekkelijk maakte. Ze ontrafelt processen, historische coïncidenties en emancipatoire ontwikkelingen die zich ondanks (en terzijde van) de ‘officiële’ leer in het klimmend duister van het nazisme konden voltrekken. De Holocaust schiep ruimte voor een carrière.

Ambitie

Duitse vrouwen gingen in januari 1919 voor het eerst naar de stembus en hadden,althans op papier, officieel gelijke rechten verworven. ‘Wat dit vrouwelijke kader [...] jonge hoogopgeleide vrouwen van andere vrouwen onderscheidt, is dat ze babyboomers van de Eerste Wereldoorlog waren, verwekt aan het einde van een tijdperk en aan het begin van een nieuw’. Lower laat zien hoe deze ‘ambitieuze jonge vrouwen’ in beslag werden genomen door hun eigen plannen. Ze wilden een respectabele, goed betaalde baan. Verlangden naar vrienden, leuke kleren, reizen en vooral meer vrijheid van handelen. Zodat de gebiedsuitbreiding in het Oosten voor velen een walhalla van carrièrekansen en huwbare jonge mannen leek – en werd.

Aangezien minder mannen beschikbaar waren voor civiele kantoorbanen en beroepen, konden vrouwen in het Reich op kantoor aan de slag, in dienst gaan van overheidsinstanties, de wapenindustrie, of gaan werken in het buitenland.

De samenleving onder Hitler perverteerde, en de beroepen perverteerden mee. Het vak van verpleegkundige kreeg een sterk nationalistisch en ideologisch karakter. Hitlers plannen maakten massale mobilisatie van verpleegkundigen noodzakelijk. In Duitsland namen de verpleegsters al deel aan het selecteren van geestelijk en lichamelijk gehandicapten. In de oostelijke gebieden ‘verzorgden’ deze ‘engelen van het front’ Duitse soldaten (die ze niet zelden ombrachten als de toegebrachte schade wat te groot leek) en werkten ze in de ziekenboeg van concentratiekampen. Ook waren ze getuigen van het beroven en vermoorden van Sovjetkrijgsgevangenen en Joden. Vrouwen waren op alle niveaus aanwezig en daarmee ‘hoofdgetuigen van de Holocaust in Europa’, schrijft Lower.

Doorgewinterde moordenaressen

De eerste massamoordenaressen waren geen concentratiekampbewaaksters maar verpleegsters. De eerste slachtoffers waren kinderen. ‘Tijdens de oorlog gaven verpleegsters duizenden mismaakte baby’s en gehandicapte adolescenten overdoses barbituraten, dodelijke morfine-injecties of onthielden hun voedsel en water’.

Duizenden Gestapo-secretaresses waren directe getuigen van en bureaucratische medeplichtigen aan misdaden op grote schaal. Tussen januari en december 1940 vermoordde het medisch personeel in Grafeneck 9.839 mensen en werd iemand als Pauline Kneissler, ‘die bijna dagelijks assisteerde bij het vergassingsproces, het laten verhongeren van patiënten en het toedienen van dodelijke injecties’ een ‘doorgewinterde moordenares’. Kneissler vond de vergassingen waar ze getuige van was, angstaanjagend maar niet al te erg. Dood door vergassingen doet geen pijn, citeert Lower haar.

Voor de meeste vrouwen die in het Oosten zaten, had het aanschouwen van de werkelijkheid van de Holocaust tot effect dat het hen sterkte in hun vastberadenheid, terwijl het tegelijkertijd hun morele besef ontregelde. De gebeurtenissen zetten hen aan tot het zoeken naar uitlaatkleppen als seksueel genot en alcohol om te ontsnappen aan wat ze ‘onplezierig of afstotelijk’ vonden.

Lower laat de (groeiende) verwevenheid zien van het gruwelijke met het alledaagse, toont de bizarre uitvergroting van ‘huisvrouwentaken’, gericht op ‘reinheid’ en ‘netheid’. De actieve deelname aan moord en martelpraktijken, ambtelijke gewenning aan gruwelijkheden en een troostende rol voor ‘de vermoeide mannen’, of de bewaakte of gecreëerde sfeer van huiselijkheid en aangenaamheid eromheen. Paradoxaal genoeg blijken enkele van de ergste daderessen degenen die zich bij hun echtgenoten voegden en gestalte gaven aan twee interpretaties van het huwelijk. Enerzijds de plichtgetrouwe, horige echtgenote die zich wijdt aan huishoudelijke taken en de opvoeding van het kroost, en anderzijds de partner in misdaad.

Lower beschrijft de hele geleidende schaal, de verwevenheid, de brede aanwezigheid. Ze schaart getuigen die zelf geen actieve misdrijven begaan, niet gelijk aan sadistische daderessen, maar ze werkt ook niet mee aan het scheppen van een vrijplaats. Een schaduwplek waar vrouwen zich afzijdig kunnen houden en schuilen. Velen namen actiever deel dan ‘nodig was’. Ze leerden de weg kennen in een systeem dat duidelijke grenzen stelde en ze tegelijk ook nieuwe voordelen en kansen bood. Vooral als ze bij de elite konden aansluiten. Zodat het niet aangaat om het beeld van de onschuldige vrouw, de heldin aan het thuisfront, of het zorgende moederdier in stand te houden omdat wij (mannen en vrouwen) die mythe nodig hebben.

De kalme manier waarop Lower de wisselwerking tussen sociale en maatschappelijke, filosofische en psychologische processen bestudeert, invloedssferen ontrafelt en verwerkt, zonder toe te geven aan een speciale ontslagmogelijkheid voor vrouwen maakt dit tot een belangwekkende studie. Het verhaal van deze vrouwen werpt een pijnlijk, helder licht op hun rol – en in feite op de complete bedrading van de Holocaust.

    • Manon Uphoff