Grappen maken over de nazi's en toch de oorlog overleven

Nadat de verwarde, dronken Hans Fallada tijdens een ruzie met zijn ex-vrouw een schot heeft gelost, wordt hij ter observatie opgenomen in een gesloten inrichting. In de herfst van 1944 deelt de beroemde schrijver van Wat nu, kleine man? een cel met drie geestelijk gestoorde misdadigers. Is hij gek?

In ieder geval gek genoeg om juist hier, onder toezicht van zijn bewakers, iets te schrijven wat hem bij ontdekking bijna zeker zijn leven zal kosten: een persoonlijke afrekening met de nazi’s. Zijn bewakers bewonderen zijn microscopisch kleine handschrift, ze realiseren zich niet dat de ontoerekeningsvatbare gevangene onder hun neus aan een bom zit te knutselen.

Slapeloze nachten heeft Fallada van de vraag of hij zijn werk moet voortzetten of vernietigen. Onverhoopt lukt het hem het manuscript de inrichting uit te smokkelen.

In mijn vreemde land. Berichten uit de gevangenis, 1944 vertelt het kleine verhaal van de grote geschiedenis. Geen veldslagen, maar burenruzies. Juist zo’n subjectief document geeft een expressief beeld van de jaren 1933 tot 1944, het tijdvak waaraan Fallada herinneringen ophaalt. Verbijsterend, ook voor wie de geschiedenis kent, blijft de snelheid waarmee Duitsland in een dictatuur veranderde nadat ‘95% op de Führer had gestemd’.

De auteur en gelijkgezinden dachten destijds: ‘Het zal allemaal wel meevallen! Nu ze aan de macht zijn, zullen ze wel merken hoe groot de afstand tussen een partijprogramma en de verwerkelijking ervan is! Zij zullen ook water bij de wijn moeten doen – net als iedereen.’ Dadelijk na de machtsovername blijkt hoezeer ze zich vergissen.

Hitler dankt zijn succes aan wrokkige burgers die zwaar onder de economische crisis hebben geleden en na aanmelding bij de partij hun aandeel in de macht en het bezit weten te krijgen. Het grootste deel van Fallada’s boek is gewijd aan zijn opeenvolgende ruzies en rechtszaken met dergelijke ‘onbeduidende’ figuren, confrontaties die hij natuurlijk gedoemd is te verliezen omdat hij – een vermogend man, maar géén partijlid – praktisch rechteloos is. ‘Het is op de wereld altijd zo geweest dat er lage en laffe lieden waren, maar het is het privilege van de [nazi]partij zulke lieden bewust tot een instrument van haar staatsbestel te maken [...]’. Dat de opvliegende, lichtzinnige schrijver, die het niet kon laten grappen over nazi’s te maken, het einde van de oorlog heeft gehaald, is meer geluk dan wijsheid.

Hans Fallada (1893-1947) schreef razendsnel. Zijn geroutineerde vertelkunst is de kracht maar ook de zwakte van dit boek. Het is allemaal zo vlot en laconiek opgeschreven dat de lezer zich, enkele werkelijk aangrijpende passages daargelaten, eerder kostelijk vermaakt dan dat de ‘woede, verbittering en angst’ van de schrijver hem naar de keel vliegen.

Toegegeven, alle kritiek klinkt vergezocht als je de ontstaanssituatie van het manuscript in aanmerking neemt. Dat de auteur al terugblikkend zijn eigen blazoen oppoetst, zij hem ook vergeven.

Marco Kamphuis

    • Marco Kamphuis