Godenzonen

Sinds ik mijn zoontje een Braziliaans voetbalshirt heb gegeven, wil hij alleen nog maar voetballen. Of hij kijkt voetbalfilmpjes. Die moet ik dan voor hem opzoeken op YouTube. Eerst klikte ik vooral op clips over het Braziliaanse elftal zodat hij zag hoe cool het was dat hij hetzelfde shirt droeg, maar inmiddels zijn we zover dat ik denk: hij is toe aan Ajax. Sterker nog: ik zie het als mijn Amsterdamse plicht om ervoor te zorgen dat hij Ajacied wordt en niet alleen maar Neymar kent, maar ook weet wie Daley Blind is. Zijn vader zal hem ongetwijfeld onberispelijk muzikaal onderleggen – van obscure jazz tot hippe Indiesongs, maar het deuntje van Studio Sport kent hij niet, dus die taak zal ik op me moeten nemen. Zelf heeft mijn vader me toen ik 14, 15 was vaak mee naar de Arena genomen. In zijn te krappe Ajaxshirt legde hij urenlang geduldig het positiespel van Ajax uit, vertelde hij wat een counter was en had hij het over driehoekjes waar hij gewichtig „in mijn tijd waren dat vierkantjes” bij zei, maar ik moet eerlijk bekennen dat ik alleen maar naar Dani keek – onder de indruk als ik uiteraard was van diens talent. Toen Dani wegging bij Ajax, had ik het opeens te druk met jazzballet, met mijn vriendinnen bellen en chagrijnig voor me uitstaren. Toch bleef ik mijn vader dankbaar voor deze opvoeding. Ik zou hem kunnen vragen om ook mijn zoontje over die driehoekjes te vertellen, maar zelf kan ik natuurlijk ook best wat doen. Waar te beginnen?

Ik sloeg het sportkatern van de krant open en las hoe de in Milaan neergestoken Ajaxfan zei: „Bij mij spoot het bloed zo uit mijn kont, echt niet normaal” en overwoog even om mijn zoon gewoon weer filmpjes van Pingu voor te zetten, maar ik gaf niet op – zoveel sportersmentaliteit heb ik nog net. Ik belde een vriend van me die in vak 410 zit (de F-side van mijn generatie). Hij stelde me gerust met zinnen als „bij de competitiewedstrijden gebeurt er bijna nooit iets” en „er zitten 50.000 mensen in een stadion en er worden er maar 24 gearresteerd, elk festival zou jaloers zijn op zo’n score”. Ik zweeg. „Weet je wat jij moet doen”, zei hij ineens. „Ga Frank de Boer op Twitter volgen” (de trainer van Ajax – ik zeg het er maar even bij voor de medeleken). Ik had geen idee wat hier het nut van was, maar ik deed het braaf.

Wie Frank volgt, volgt Ronald, ze hebben een duo-account. Onhandig, zou je zeggen, want nu moet Franks vrouw Helen twitteren: „Leuke fotoshoot gehad met @FrankRonald1970” terwijl Ronald er niet bij was en twittert Ronalds dochter „In Londen met @frankronald1970” terwijl haar oom nergens te bekennen is, maar ach, wie zit daarmee? En Frank en Ronald lossen het zelf gewoon op door een ‘F’ of een ‘R’ voor hun tweet te zetten als ze het belangrijk vinden dat je weet wie wat zegt, bijvoorbeeld: „R: wat is er mis met deze baard!!! @538” en dan een foto van een R met een baard waar niets mis mee is. Of: „F: Je moet als trainer het overzicht bewaren, ook op trainingskamp ;) @AFCajax # Oostenrijk” en dan een foto van F op duizelingwekkende hoogte, die waarschijnlijk op het punt staat te bungeejumpen. Even later kreeg ik een DM van F en R: „Leuk dat je ons volgt.” Dat vond ik nou ook, maar ik keek toch even of Dani soms ook Twitter had.