‘De pauskerk is van de 20ste eeuw’

De katholieke kerk is nu een strakke hiërarchie, geleid door de paus. Dat is toeval, zegt Peter Raedts bij zijn afscheid als hoogleraar middeleeuwse geschiedenis.

Peter Raedts, scheidend hoogleraar middeleeuwse geschiedenis aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Foto Roger Cremers

Hij heeft een ingewikkelde relatie met zijn onderwerp, Peter Raedts, scheidend hoogleraar middeleeuwse geschiedenis aan de Radboud Universiteit. Hij kent de katholieke kerk uit de bronnen én uit eigen ondervinding: als uitgetreden priester. In zijn afscheidsrede, vandaag in Nijmegen, legt hij uit dat het ontstaan van de kerk zoals we die nu kennen, een strak geordende hiërarchie met de paus in Rome aan het hoofd, niet zo onvermijdelijk was als historici het hebben voorgesteld.

Raedts stamt uit een geslacht van Limburgse notabelen – zijn vader was mijneigenaar in Heerlen – en dat blijkt uit alles: van het statige huis in de Utrechtse binnenstad, waar hij de verslaggever ontvangt, tot zijn verzorgde dictie. Hij ziet het gesprek als een nuttige vooroefening voor zijn afscheidscollege, want hij is een tikje nerveus.

In 1997 trad u uit de Orde der Jezuïeten. Waarom eigenlijk?

„Ik heb mijn priesterschap altijd heel strikt opgevat; ik vond dat je hoorde te zeggen wat de kerk leerde. Was je het daar niet mee eens, dan hield je je mond. Maar op een gegeven moment werd de discrepantie tussen mijn opvattingen en die van de officiële kerk toch te groot en voelde ik me ingeklemd. Het wrong op veel punten: van de seksuele ethiek – echtscheiding, homoseksualiteit – tot de dogmatiek, zoals de maagdelijke geboorte. Ik zie die laatste als een metafoor; de kerk niet. Ik beschouw mezelf nog altijd als gelovig christen, maar nu kan ik het op eigen voorwaarden zijn.”

U koos voor mediëvistiek na lezing van The Medieval Papacy (1968) van de historicus Geoffrey Barraclough.

„Ja, diens ontmythologisering van het pausdom vond ik geweldig. Dat was iets heel anders dan het kerkbeeld dat ik van huis uit had meegekregen, waarin de paus de baas was.”

Is de paus wel de opvolger van de apostel Petrus?

„We weten uit archeologische en tekstuele resten van tussen 150 en 200 na Chr. dat er destijds in Rome een verering van Petrus was. Verder terug kunnen we niet. Ik kom tot de conclusie dat Petrus nooit in Rome is geweest en ook niet in de St. Pieter ligt. Dat graf is door de pausen wel altijd gebruikt als argument voor hun machtsaanspraken binnen de kerk.

„Maar die Petrus-claim maakte niet altijd indruk. Na de bekering van keizer Constantijn bestuurt de Romeinse keizer samen met de bisschoppen de kerk. En ook de keizers in Constantinopel waren later niet zo onder de indruk van dat Petrusgraf. Zij vonden helemaal niet dat de bisschop van Rome daaraan bijzondere macht ontleende. De rijkskerk had vijf patriarchen en die van Rome was er één.”

Verandert dat na de vijfde eeuw, de val van het Romeinse rijk in het Westen?

„Ja. De Franken, de Goten, de Engelsen zien: in Rome wordt iets bewaard wat wij niet meer hebben, de tastbare erfenis van Romeinse grootheid: theaters, openbare gebouwen. Met name daardoor heeft de bisschop van Rome in de ogen van deze westerse vorsten veel meer gezag dan hij in het Oosten heeft. Belangrijk was dat Karel de Grote in het hele Frankische rijk dezelfde liturgie wilde. En die haalde hij uit Rome, want daar wisten ze nog hoe het moest. De Frankische vorsten gaven de bisschop van Rome geen macht, maar zetten hem wel op een voetstuk. In Constantinopel waren ze intussen steeds minder bezig met het Westen. Daar moesten ze zich eerst de Arabieren en later de Turken van het lijf houden.”

Wanneer kunnen de vorsten van Europa, en ook de Duitse keizer, niet meer om de paus heen?

„Na de succesvolle herovering van Jeruzalem op de Arabieren in 1099. De oproep van paus Urbanus II in 1095 tot een kruistocht was een enorme gok, en die onderneming had volledig kunnen mislukken. Maar als er geen kruistocht was geweest, was de katholieke kerk een rijkskerk gebleven, onder toezicht van de vorsten. En er zouden nog steeds keizers in de St. Pieter worden gekroond.”

Maar dat verzoek uit het Oosten, om hulp tegen de Turken, was in die elfde eeuw toch heel bescheiden? Niet: neem Jeruzalem in.

„Nee, daar had de Byzantijnse keizer nooit aan gedacht. Toen Urbanus opriep tot een kruistocht is er een krachtige beweging aan de basis ontstaan. Hij wilde ridders, maar hij kreeg het hele volk. Ook onder gewone christenen leefde een heel sterke, vurige vroomheid. In de Eerste Kruistocht kreeg die een doel: Jeruzalem. Daar was het allemaal begonnen en daar zou Christus terugkeren. De aristocratie van de 11de eeuw was inmiddels een zeer succesvolle klasse, omdat zij hun landgoederen veel beter waren gaan exploiteren. Ze werden niet alleen steeds rijker, maar ook steeds vromer. Urbanus heeft dat aangevoeld en opgepakt. Dat de onderneming uiteindelijk is gelukt, gaf de doorslag. De paus had het initiatief genomen. Het was zijn succes. Vanaf dat moment wordt de paus in het hele Westen als de leider van de kerk erkend.”

Blijft dat zo?

„Nee. Het idee van een centralistisch geleide pauskerk is voor het eerst geopperd door kerkelijke rechtsgeleerden in de 12de eeuw. Zij trokken op papier een schitterend bouwwerk op. Maar zodra de vorsten van Europa intern orde op zaken hadden gesteld, zeiden ze: waar bemoeit die man zich mee? In de 14de eeuw waren Frankrijk en Engeland de best georganiseerde koninkrijken, en zij stelden paal en perk aan de pauselijke macht. Er ontstaan landskerken. De koningen van Frankrijk, Spanje, Portugal en het Habsburgse deel van het Heilige Roomse Rijk gaan zelf bepalen wat er in hun kerken gebeurt. En daar komt pas een einde aan met de Franse Revolutie. En dan nog blijven Europese koningen tot de Eerste Wereldoorlog bisschoppen benoemen. Pas dáárna krijgt de paus de ruimte om die oude blauwdruk, met hemzelf als de centrale macht in de kerk, te realiseren. Niet eerder.”

    • Dirk Vlasblom