De hele wereld omarmen

Kort naast lang, soms inzoomend, soms uitweidend, nu eens rijmend, dan weer breeduit vertellend. Net zo verrassend zijn de thema’s in een nieuwe bloemlezing van deze meeslepende, Australische dichter.

Ik heb nu een week zitten lezen in De planken kathedraal, een dikke bloemlezing uit de honderden gedichten van de Australische dichter Les Murray (1938), en ik weet nog steeds niet goed wat ik er over zou kunnen zeggen, behalve dat hij enorm veelzijdig is. Het gaat over van alles en nog wat, in allerlei vormen en stijlen, het speelt zich op allerlei plekken van de wereld af en er zijn geen grote verschillen tussen vroeg en laat werk. Het is, dus, een boek om eindeloos in rond te reizen.

Er staat een stemmig gedicht in over het slapen, ’s nachts, als kind, op de veranda, midden in de bush van Australië, waar Les Murray opgroeide. We horen het gesnuif van het vee, de geluiden in het woud en zien het uitzicht op de sterren en op de maan die ‘zodra het donker hem vond’ begon te stralen. In dezelfde sfeer zit ‘Oma’s verhaal’, waarin de stoere oma van de dichter mag vertellen over Ted Quarrie die haar vroeger had lastig gevallen en haar, na haar afwijzing, daarna met een revolver was komen opzoeken. ‘De stakker. Ik schoot haast in de lach.’ Er is een bijna toeristisch gedicht over de oasestad Mildura, midden in de Australische woestijn. Een serie portretten van allerlei uitheemse planten en dieren, zoals de hanenspoorstruik, de wurgvijg, de mierenegel en de rugschildteek.

Dit soort onderwerpen grijpt Murray ook graag aan om allerlei vreemd idioom te kunnen gebruiken (‘de mollusk’ met haar ‘zuigkus’ en haar ‘plofschelp’). En hij kan dan meteen nieuwe talen en taaltjes uitproberen. Zo komen hier de taal van de potvis, de varkens, de koeien en de liervogel voorbij. In dit genre mag ook het gedicht over het vleermuizenultrageluid niet onvermeld blijven. Het is natuurlijk moeilijk om waar te nemen, maar volgens Murray (en volgens zijn Nederlandse vertaler Maarten Elzinga) is dit wat ze tegen elkaar zeggen, in hun hoge ie- en oe- en uu-taaltje: ‘Ah, roverroering – aero-uur ja? / over ons oerrevier (onze era immer / eer uw ruwe herrie) zwieren we hiero, / maaien, zwerven, roeien raar – aura ons azuur, / onze enge u een raaien, een roer.’

De exotische sfeer van de bush is zeker een van de charmes van de poëzie van Murray. Maar hij kan ook, met evenveel inleving, dichten over het leven en de taal van tegels en machines. En over Japanse zwaarden in het British Museum. Het hete eten in een Bengaals restaurant in Wales. Het verslag van een paniekaanval. Een paar gedichten over zijn ongelukkige jeugd. Een korte verhandeling over, jawel, de zin van het bestaan, met als gedachte dat eigenlijk alles (‘bomen, planeten, rivieren, tijd’) weet wat de zin van het bestaan is, en daar de hele dag door uitdrukking aan geeft door er te zijn. Alleen ‘de taal’ weet het niet, en ook de dichter niet. En tussen een lang gedicht over de geschiedenis van de wegenaanleg in Engeland en een serie haiku-achtige gedichten kan het opeens, en uitgebreid, gaan over het sterke verlangen naar een hiernamaals.

Alles kan onderwerp zijn bij Murray – alles wat de werkelijkheid maar aanbiedt. Het gedicht ‘Gespreksthema’s’ geeft een lange opsomming van onderwerpen: van ‘de volle maan komt altijd op bij zonsondergang’ en ‘van hard niezen kunnen je hersens gaan bloeden’ tot en met ‘soldaten kunnen tegenwoordig in verwachting raken.’ Tegenover zo’n opsommingsgedicht staan aforistische notities, maar ook bijvoorbeeld een dertiendelige vakantie-liederencyclus. Kort naast lang, soms inzoomend, soms uitweidend, nu eens rijmend, dan weer breeduit vertellend.

Nu lijkt het misschien zo dat Murray vooral een vormdichter is, maar dat is niet zo. In een lang, verhalend gedicht vertelt hij het verhaal van een vrijgezelle onderwijzer uit zijn dorp Bunyah, met een voorkeur voor jonge meisjes, die in de kost ging bij een ouder, kinderloos boerenechtpaar. Murray’s beschrijving van dit driespan is aandoenlijk.

Het wordt nog aandoenlijker als de boer sterft, en de oude onderwijzer en de oude boerin dan besluiten samen (‘samen alleen’) verder te gaan. En als de boerin hulpbehoevend wordt, gaat hij haar verzorgen. Zij wordt dan, wrange ironie, ‘zijn bejaarde kleine meid’. Mag je dat liefde noemen? Murray stelt de vraag niet, maar hij zweeft wel boven de regels. ‘Haar jongen hield haar ’s nachts in zijn armen / en verschoonde haar lakens.’ Toen besloot de familie haar weg te halen, en zag de oude schoolmeester geen andere uitweg dan maar spoorloos te verdwijnen, ‘als een rechteloze afgedankte oude man.’

Het is een in alle opzichten pijnlijk en schrijnend geval, zo’n gedicht. Zo zijn er meer schrijnende gevallen: als het gaat over de moeilijke jeugd van de dichter, het isolement, de pesterijen op school, het schuldgevoel of het gevecht met ‘de Zwarte Hond’ (zijn jarenlange depressies). Tegelijk ken ik weinig dichters bij wie er daarnaast zo’n groot, wereldomarmend, bijna religieus besef aanwezig is, ook als het gaat over de rol die poëzie kan vervullen. Ik kan dus nog steeds weinig overkoepelends zeggen over deze overkoepelende dichter, behalve dan dat ik hem in alle genres oorspronkelijk en interessant vind, en meeslepend.

Over de vertaling van Maarten Elzinga kan ik nog niet zo enthousiast zijn. Die is soms vlot en vindingrijk, maar vaker omslachtig of houterig of onnatuurlijk – en soms ook gewoon onbegrijpelijk. Dan moet je het Engels (dat ernaast staat) erbij nemen om het Nederlands te snappen. Dat is toch eigenlijk niet de bedoeling van een vertaling.

Het uitgebreide nawoord van Elzinga is wél goed en nuttig. Hij geeft daarin een beeld van Murray’s ‘bezielende’ beleving van de wereld. Een goed voorbeeld is het allerlaatste gedicht. Het gaat over dure volbloedpaarden die in het schemerige ruim van een vliegtuig, midden in de nacht, op een intercontinentale vlucht, tien kilometer boven de oceaan, worden vervoerd. Wat is dit? Een sterk gegeven. Murray beschrijft het met veel liefde. De nervositeit van de dieren. Hun exclusiviteit. Hun hoge prijs. Het luxe vervoer, omringd door de beste zorg, in een hypermoderne accommodatie. Ze worden behandeld als goddelijke wezens. Rare wereld. En daar gaan dan straks kleine jockeys op zitten, in die rare ouderwetse houding, met hun knieën vreemd gevouwen – en de kont omhoog.

Eenzelfde gevoel vind ik in het gedicht waarmee alle bloemlezingen uit Murray’s poëzie beginnen, ook deze. Het beschrijft hoe in oorlogstijd een in brand gestoken vrachtwagen een dorp binnen komt rollen. De chauffeur is er al uit gesprongen. Gaat hij exploderen? Iedereen ziet het en wacht ineengedoken af. Maar de dorpsjongens kunnen niet wachten en gaan er achteraan, in een mengsel van angst, opwinding, ontzag en verwondering.

Wat is dit? Ook weer een sterk gegeven. Een sfeer van geheimzinnigheid. De aantrekkingskracht van het gevaar. De rattenvanger van Hamelen. Een religieuze vervoering bijna. Zo rolt de wagen langzaam het dorp door en ook weer het dorp uit, met de jongens, ‘zijn volgelingen’, er achteraan, en dan zo, in de slotregel, ‘de wereld uit.’