De broodschrijver staat op

De geschiedenis van de voortvarende, 18de-eeuwse letterproductie, is gesneden op genre. In vogelvlucht is een standaardwerk ontstaan dat tegelijkertijd een meesterwerk is.

In 1762 publiceert de Sneeker arts Murk van Phelsum (1732- 1779) het geïllustreerde standaardwerk Natuurkundige Historie der Aars-wormtjes, die veeltijds in de darmen der menschen gevonden worden. Deze parasieten vertonen een gelijkenis met komkommerzaad. Er is een mond, de aarsmade vertoont een aars. Ze kunnen springen, staan, zwemmen. Leven ze van drek? ‘Ik vond ze ook in de slijmvliezen van de vrouwelijke schaamte, daar is geen drek.’ Waar komt de aarsworm vandaan? ‘Ze waren met de Schepping van Adam en Eva in hun lichaam inbegrepen.’ Lastige verstekelingen? Dan heb je geen Paradijs. Van Phelsum: ‘De aarsworm werd pas hinderlijk toen Adam en eega na hun heenzending anders gingen eten.’

Van aarsworm naar paradijs, van duistere diepte naar hemels licht. Men moet ergens beginnen, men moet zich in de verte wagen, ook als het literatuurgeschiedschrijving betreft. Voor méér durf pleitte letterenhoogleraar Marita Mathijsen in 2000. Zelf gaf ze een voorzet, door de keuhantering van Camera Obscura-biljartheld Pieter Stastok [sic] als iconisch af te schilderen voor de periode 1800-1900: eeuw der zelfbevlekking.

Beoefenaars van het edelbiljart als ik zien zoiets niet graag, maar Mathijsens suggestie mikte op hogere doelen. Want durf in de literatuurgeschiedschrijving kan beslist iets prachtigs opleveren. Dat laten Inger Leemans en Gert-Jan Johannes zien in hun recente overzicht van de achttiende-eeuwse letteren, getiteld Worm en donder. Een boek waarin het boven de breekbare kruin van de toenmalige mens (‘in zichzelf een aardworm’ aldus Arnold Hoogvliet in diens hofdicht Zydebalen uit 1740) verbijsterend vaak bliksemt en dondert.

Met donder is meteen het tweede trefwoord van Leemans en Johannes genoemd. Men kan dit associëren met krijgsgedruis. De Republiek was immers geregeld grootscheeps ter zee en land te wapen. In de Spaanse (1701-1714) en Oostenrijkse Successieoorlog (1740-1748), de Vierde Engels-Nederlandse Zee-oorlog (1780-1784).

De Republiek moest verder twee bezettingsmachten toelaten (Pruisen in 1787, Frankrijk in 1795), in de jaren tachtig en negentig stond een burgeroorlog op uitbreken, 1798 kende twee staatsgrepen. Bliksemen deed het intussen ook op papier. In het laatste decennium bijvoorbeeld in literair-satirische bladen als De Politieke Blixem, De Oude Echte Politieke Blixem, De Heer Politieke Blixem of De Burger Politieke Blixem. In de sentimentele romans van de Zwolse schrijver en essayist Rhijnvis Feith wordt in de grafzwarte nacht de betraande liefdeslijder belicht door de ene schicht na de andere. Er wordt gewurmd in de achttiende eeuw, bezorgd, bezield, het is een tijd vol kronkelen en draaien naar het licht. We hebben het kunnen lezen in recente kwalitatief zeer hoogstaande historiewerken over doen, denken, samenwerken en samenleven in de lang veronachtzaamde achttiende eeuw. En we lezen het in de literatuurgeschiedenis Worm en donder.

Heel veel titels

Bij een Nederlandse literatuurgeschiedenis denken we snel aan de beroemde, twintigste-eeuwse Knuvelder. Net als zijn voorgangers (Jonckbloet, Te Winkel, Ten Brink) schetst hij eerst de hoofdlijnen, waarna het grote zoomen op afzonderlijke auteurs begint. Heel veel namen, heel veel titels. Niet om fijn te lezen, eerder voor het naslaan. Gert-Jan Johannes en Inger Leemans werken anders. Zij sneden de achttiende-eeuwse letterenproductie op genre: bijbelepos, tuindicht, psalmberijming, jeugdliteratuur, imaginaire reisbeschrijvingen, de roman (een nieuw genre), toneelgenres, spectatoriale geschriften (‘proto-columns’ uit die tijd), satire, egodocumenten, et cetera.

Daarnaast is er de aandacht voor de organisatie van het boekenbedrijf, die net als de organisatie van wat nu ‘democratisch Nederland’ heet, in het laatste kwart van de eeuw een enorme impuls krijgt. De broodschrijver staat op, de roman krijgt vorm. Echtelieden als boekhandel en uitgeverij beginnen aan scheiding te denken. Belangrijk ook is het clubleven. Dat geldt voor exercitiegenootschappen, schuttersclubs waarin militante patriotten zich organiseren. Maar ook voor letterkundige genootschappen, waarin kwaliteit het stokje overneemt van stand. Een wezenlijke verschuiving. Boeren als Hubert Cornelisz Poot, ondernemers, en vrouwen krijgen dankzij deze dichtclubs stem.

Natuurlijk zit er een nadeel aan de vogelvluchtbenadering in Worm en donder. Voor individuele auteursportretten is de ruimte beperkt. Toch weten beide auteurs in hun opmerkelijk evenwichtig standaardwerk indringend aandacht te besteden aan een dwarse, literaire en maatschappelijke outlaw als Jacob Campo Weyerman. We vinden een helder (en waarderend) portret van de visionaire dichter Willem van Swaanenburg (‘Het lust my op een bas, met hart gespanne snaaren,/ Van styven wind gezweept, den aardbol om te vaaren.’) Een uitzinnig, maar briljant poëet, aan wiens letterproducten veel valt uit te leggen. Ook Betje Wolff en Aagje Deken (in hun Sara Burgerhart en gezamenlijke Economische Liedjes) komen fraai uit de verf. Dat geldt ook voor de geplaagde Gerrit Paape, pamflettist, patriottenactivist en groots literair satiricus.

Dinobotten

Ik begon niet voor niets met Murk van Phelsum, aarsmadeschouwer te Sneek. Wurmen, wormen. Men heeft het moeilijk in de reis van 1700 naar 1800. Er worden dingen ontdekt die niet passen in de contemporaine Scheppingsversie van de wereld. Men vindt dinobotten, stelt zich kwesties als waar destijds alle Zondvloedwater vandaan moest komen en waar het bleef, of denkt na over aarsmade en paradijs. Redeneren geblazen – zie de Sneker wormtjesdokter. Zie ook het Worm en donder-hoofdstuk over de fysicotheologie. Pogingen om Bijbel, godsdienst en natuur bijeen te brengen: ‘Nu zag ik in de buik der dieren eene onbegrypelyke juistheid van ingewanden, derzelver nut en onderlinge werking. [...] en het geheele samenstel, dat ik overtuigd werd, dat er niet alleen een Schepper was; maar dat ook die Schepper Alwys en Almachtig moest wezen.’ De steeds weer naar het midden zoekende achttiende-eeuwer voelt dat er een wereldbeeld gaat sneuvelen, misschien zijn eigen wereld wel. Onweer nadert.

In de laatste jaren van de achttiende eeuw is de literaire wereld in wezen zoals wij hem in negentiende en twintigste eeuw gekend hebben. De maatschappelijke rol van de literatuur is rond 1790 wel wezenlijk veel groter dan hij ooit nog zou worden. Hoe dat vanaf 1700 zo kwam wordt in Worm en donder kalm, erudiet en met humor uiteengezet. Ik heb het met rode oortjes doorwurmd, integraal. Zonder de aanhoudende bliksemflitsen in een boek als dit lukken zulke dingen nooit. Het is een meesterwerk.