Café Chris

In de jaren zestig bezocht ik dikwijls café Chris in de Bloemstraat. Het was in die tijd, en misschien nog wel, een echte buurtkroeg. Al kwamen er ook veel mensen van buiten de Jordaan, zoals ik, het merendeel van de bezoekers waren echte Jordaners. Ik zat daar met mijn toenmalige schoonvader, de cellist Joep Vogtschmidt. De dokter had hem aangeraden zijn jenever niet meer onverdund te gebruiken, dus hij bestelde twee jonge in een limonadeglas en kleurde dat heel voorzichtig bij met wat cola. Zo’n flesje ging lang mee. Als het etenstijd werd zei hij altijd hetzelfde: „Kom, Peter. We moeten naar het rampgebied.”

Op woensdag zat daar een echtpaar waarvan de man bij het weggaan ook steevast een en dezelfde zin uitsprak: „Kom op ouwe, me gaon een happie eten bij de spleetoog.”

Ook had men er aardigheid in om ons, niet-Jordaners, in de maling te nemen. Een wat oudere man, die ons gesprek gevolgd had, zei: „Geïnteresseerd in antiek? Ik heb nog een oude staande klok voor jullie. Zien?” Dat wilden we wel, nooit weg, een antieke klok, al was het maar voor de handel, mochten we het ding niet zelf willen. We volgden hem naar buiten en al na enkele stappen hield hij halt en zei: „Kijk, daar staat ie. Puntgaaf. Je moet hem wel zelf meenemen.” En hij wees op de Westertoren.

En ik leerde er scheldwoorden die ik daarvoor, en eigenlijk ook daarna, nooit gehoord heb. Lampendanser. Geen idee wat het betekent. Nakketikker (armoedzaaier. En ook: oplichter).

Ik moet er weer eens heen, al was het maar om te kijken of je de wc nog steeds aan de buitenkant moet doortrekken.