Alles wat verzwegen moest worden, is uitgesproken

Hoe is het om als Joodse moeder je zoontje af te moeten staan aan een Jodenhater? Komen moeder en zoon elkaar ooit nog tegen?

Ariëlla Kornmehl schrijft graag over pijnlijke familiekwesties. In Huize Goldwasser (2007) ging het over een meisje dat door haar ouders wordt verstoten omdat ze kiest voor een vriend die niet Joods is. En in Een stille moeder (2009), haar vorige roman, komt een vrouw erachter dat haar vader niet haar biologische vader is. In haar nieuwe roman, Wat ik moest verzwijgen, draait het ook om zoiets: een zoon die niet weet dat zijn moeder zijn moeder niet is.

Kornmehl beschrijft hoe ergens halverwege de Tweede Wereldoorlog de Amsterdamse Jet haar intrek neemt bij Henk in Haarlem, om aan deportatie te ontkomen. De buurman, een NSB-er, met gezin, heeft al snel door dat dit aantrekkelijke meisje geen gewone dienstmeid is. Hij zal haar beschermen – als hij tenminste met haar kan doen wat hij wil. Deze scheve verhouding leidt al vrij snel tot een gevreesde zwangerschap.

De onderduikepisode is meteen het spannendste deel van de roman. Jet is radeloos. Ze haat de buurman, maar het verwarrende is dat hij ook vriendelijke kanten heeft. Ze neemt zich voor om het ongewenste kind meteen na de geboorte te doden, en ze doet ook een halfslachtige poging – maar daar blijft het bij. En dus moet ze aanvaarden dat Otto zal opgroeien in het NSB-gezin van de buurman en nooit zal weten dat zij zijn moeder is – want zo is het afgesproken, in het belang van het kind. Zij ‘sleepte zich dag in dag uit voort’, staat er dan, ‘zonder te weten waarheen.’

Een intrigerend gegeven, een Joodse moeder die haar zoontje moet afstaan, aan een Jodenhater nog wel. Hoe werkt Kornmehl dit precies uit? Hoe gaat het verder met de zoon?

Helaas neemt het verhaal al snel een nogal bleke wending. We zien Otto terug als volwassen man in New York, waar hij een gezin heeft gesticht. De appel valt niet ver van de boom, zo blijkt dan. Otto is net als zijn vader in de kunsthandel beland en bedriegt ook hij zijn echtgenote met een jongere vrouw. Bij haar, Stella, vindt hij de rust en aandacht die Ellen, zijn vrouw, hem niet kan bieden. ‘Na zijn lange werkdagen had hij maar weinig geduld voor haar gezeur.’ Ellen deugt blijkbaar niet, maar uit niets blijkt waarom we wél sympathie zouden moeten hebben voor de nogal vaag omlijnde Otto.

Ook de lang verbeide ontmoeting tussen Jet en Otto, bij de begrafenis van de buurman, leidt niet tot de grote apotheose die deze roman zo goed had kunnen gebruiken. Omdat Jet nog steeds zwijgt over haar moederschap, bloeit er, teleurstellend genoeg, niets op tussen moeder en zoon. Hij komt niet eens haar naam te weten.

En zo blijft het verhaal hopeloos aan de buitenkant steken. De zinnen zijn houterig, de typeringen omslachtig (‘Ellens liefdevolle benadering jegens haar ouders’) of vreemd plechtstatig. ‘Sinds de middag werd hij door een vreemde warmte bevangen’ staat er, als Otto zich even niet lekker voelt.

Het grootste probleem met Wat ik moest verzwijgen is dat alles wat al die tijd verzwegen moest worden hier nu veel te uitgebreid wordt gezegd.