Alles is er goed, en iedereen houdt van mij

In de Russische literatuur wemelt het van de onbekende meesterwerken. Zoals Leonid Dobytsjins De stad N. . Broodnuchter worden de verschrikkelijkste dingen verteld. Huiveren doe je tussen de regels door.

Zelden heeft een roman zulke fatale gevolgen voor zijn schepper gehad als De stad N voor Leonid Dobytsjin. In 1936, een jaar na het verschijnen van dat boek werd de schrijver op een bijeenkomst van de Leningradse Schrijversbond getrakteerd op zulke felle ideologische kritiek, dat hij na afloop van de zitting de Neva inliep en verdronk. Hij was 42 jaar oud.

De reden voor die geseling was dat De stad N in geen enkel opzicht voldeed aan de richtlijnen van het socialistisch realisme, die onder druk van Stalin ineens heel streng werden toegepast. Positieve helden komen in het boek niet voor, laat staan arbeiders, boeren of partijleden.

Wel is De stad N een roman over het terugverlangen naar een verloren verleden, zoals Nabokov dat doet in zijn Speak Memory. Plaats van handeling is het Letland onder de tsaren, tussen 1904 en 1910. Aan de hand van de belevenissen van een jongetje – de zoon van een arts – schetst Dobytsjin een portret van een stadje, waarin je al gauw zijn geboorteplaats Dvinsk herkent, het huidige Daugavpils. Russen, Letten, Duitsers, Joden, Polen wonen er in harmonie samen.

De jonge verteller registreert broodnuchter wat er om hem heen gebeurt. Als zijn vader overlijdt, schrijft Dobytsjin: ‘Dat najaar raakte vader tijdens een obductie besmet en overleed. Voor hij naar de kerk werd gedragen, stond onze voordeur open en kon iedereen bij ons binnenlopen.’ Vervolgens heeft hij het over de herdenkingsdienst voor zijn vader en lees je: ‘Vader Fjodor hield die dag een interessante preek.’

Nergens laat de verteller enige emotie zien, alsof het hem eigenlijk niet aangaat wat er om hem heen gebeurt en hij de werkelijkheid door de lens van een filmcamera waarneemt. En precies dat afstandelijke maakt De stad N zo beklemmend om te lezen. Zeker als je weet dat Dobytsjin het boek in de jaren dertig heeft geschreven, toen de wereld van zijn jeugd niet meer bestond.

N staat dan ook voor meer dan de stad waar het verhaal zich afspeelt, zoals vertaler Arie van den Ent, die dit kleine meesterwerk nieuw leven heeft ingeblazen, in zijn nawoord terecht opmerkt. Het is ook het stadje N uit Gogols Dode Zielen, het lievelingsboek van de verteller, die zich met Gogols held Tsjitsjikov vereenzelvigt. Voor hem is de stad N het paradijs waar hij met zijn familie naartoe wil gaan, omdat alles er mooi en goed is en iedereen er van hem zal houden. Door dat verlangen te beschrijven, lijkt Dobytsjin indirect de kille en agressieve Sovjet-Unie af te wijzen. En op dat moment begrijp je ineens waarom de Schrijversbond het op hem voorzien had.

In De stad N ruik je, hoor je en zie je het pre-revolutionaire Rusland. Het is geen onaangename wereld, maar toch ligt er onheil op de loer, al moet je een passage soms twee maal lezen om het goed te beseffen. Zo is er de plotselinge dood van slagersvrouw Madame Strauss, die onder het oog van haar minnaar, kapelmeester Schmidt, wordt getroffen door de losgeraakte vergulde ham die boven de ingang van de slagerij hangt.

Ook breekt in 1904 ineens de oorlog met Japan uit. De inwoners van het stadje vernemen het uit de krant en vergeten het daarna bijna. Niemand beseft dan nog dat dit het begin van het einde van de monarchie is.

Vanaf dit moment wordt de onderhuidse sfeer in De stad N steeds beklemmender. Als een paar bladzijden later het nieuws bekend wordt dat minister Von Plehve is vermoord, stort de lerares Duits zich op de verteller. En dan lees je: ‘en verstrooid als ze was, wierp ze zich ijlings op me, pakte me vast en drukte me fijn.’ En dan is er nog de revolutie van 1905, die zich voorzichtig aankondigt als er een bom in de stad ontploft. De verteller meldt dat de school die dag voor onbepaalde tijd dichtging en ’s avonds de fabriekssirenes loeiden, er schoten klonken en er vier mensen omkwamen. En dan staat er ineens: ‘Toen ze werden begraven gingen we kijken.’ Precies zoals jongens doen, die het gevaar niet onderkennen.

Het belang van de revolutie lijkt Dobytsjin hiermee bewust te negeren. Alsof hij ergens heel goed wist dat hij op zijn woorden moest passen.