Afgedwongen fusies werken niet

De Raad voor Cultuur heeft zorgen over de toekomst van de Rijksakademie. Die kan na 2016 niet op eigen benen staan. En Meermanno moet geïntegreerd worden in de Koninklijke Bibliotheek.

Minister Jet Bussemaker (Cultuur, PvdA) moet alvast gaan nadenken of ze op één punt het beleid van haar voorganger, staatssecretaris Halbe Zijlstra (VVD), gaat herzien. Die besloot in zijn bezuinigingsbeleid dat de postacademische opleidingen van de Rijksakademie en De Ateliers vanaf 2017 geen subsidie meer zouden moeten ontvangen.

Dat gaat de Rijksakademie waarschijnlijk niet overleven, zo vreest de Raad voor Cultuur in een advies dat vandaag is uitgebracht over een aantal fusie-instellingen. De opgelegde fusie van de Rijksakademie met De Ateliers gaat niet door, sinds De Ateliers zich in oktober plotsklaps terugtrokken onder druk van alumni-kunstenaars. Daardoor kwam 1,5 miljoen euro aan subsidie voor de fusie-instelling in gevaar. De breuk kost De Ateliers nu de directe subsidie van het ministerie, het heeft niet eens een nieuw plan ingediend. De Rijksakademie wel en die mag haar deel behouden om 50 kunstenaars te begeleiden.

Wat er met het geld voor De Ateliers gebeurt, moet Bussemaker nog besluiten. De raad heeft een ontsnappingsmogelijkheid gecreëerd en adviseert om het geld voor De Ateliers, als het vrijkomt, via het Mondriaan Fonds te besteden aan ‘talentontwikkeling’. De subsidie zou zo via die omweg opnieuw bij De Ateliers terecht kunnen komen. De Ateliers heeft nog niet bekendgemaakt hoe het met particuliere financiers als bestuursvoorzitter Joop van Caldenborgh wil overleven.

De Rijksakademie probeert ook om eigen inkomsten te werven, maar volgens de raad is er een „kritische grens aan het verkrijgen van sponsorinkomsten”. De raad betwijfelt of deze instellingen zelfstandig kunnen voortbestaan als de subsidie na 2016 wegvalt. De minister krijgt het advies om in een brief over talentontwikkeling die zij aan de Tweede Kamer heeft beloofd ook de rol van de postacademische instellingen te betrekken. Oftewel, toch weer geld te geven na 2016.

De aanbeveling is onderdeel van een advies dat de Raad voor Cultuur uitbrengt over instellingen die bij de bezuinigingsbeslissingen waren opgedragen om te fuseren of intensief te gaan samenwerken. Dat is ook bij andere instellingen niet gelukt. Gesprekken tussen Meermanno en het Letterkundig Museum mislukten. Beide musea zochten in plaats daarvan andere samenwerkingspartners.

Meermanno maakte met de Koninklijke Bibliotheek afspraken over structurele samenwerking. De twee onderzoeken nu samen de mogelijkheid om Meermanno te „integreren” in de KB. Dat is de Raad voor Cultuur te vrijblijvend. Hij wil dat Meermanno voor 2017 opgaat in de Koninklijke Bibliotheek. Gebeurt dat niet, dan is het de vraag of het museum na 2016 voor de volgende periode van vier jaar nog rijkssubsidie krijgt.

Het Letterkundig Museum wil gaan samenwerken met het Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis. Dat vindt de raad prima, maar dan moet het Letterkundig Museum wel zijn focus verleggen. Het moet zich nadrukkelijker richten op zijn Kinderboekenmuseum en zijn taak als documentatiecentrum. De raad schreef in 2012 al dat de tentoonstellingen die het Letterkundig Museum voor volwassenen organiseert, niet goed genoeg zijn. Over de kwaliteit van het Kinderboekenmuseum heeft de raad geen twijfel. Om een nog beter documentatiecentrum te worden, moet het museum samenwerking zoeken met bijvoorbeeld de afdeling Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam.

Het plan dat Het Nieuwe Instituut bij de raad heeft ingediend is goedgekeurd. De raad heeft wel twijfels of deze instelling, die is ontstaan uit een fusie van het Nederlands Architectuurinstituut, Premsela en Virtueel Platform, voldoende bezoekers zal weten te trekken.

Van het advies maakt ook De Utrechtse Spelen deel uit. Dat heeft een plan voor een doorstart moeten indienen, nadat het vorig jaar bijna failliet was gegaan. DUS krijgt van de raad groen licht, maar het gezelschap krijgt wel de aansporing zich „minder sterk te richten op een ingewijd theaterpubliek” en zich meer te profileren als stadsgezelschap.