Wie mag weten of ik blij, verdrietig, bang of boos ben?

In de privacydiscussie vergeet men een belangrijke ontwikkeling: de technologie die leest wat wij denken en voelen, zeggen Noor Huijboom en Gabriela Bodea.

Een bulldozer aan het werk bij een kolenmijn in Kentucky. 40 procent van de uitstoot van CO2 in de VS komt door kolen. Het is de meest vervuilende energiebron. Foto AFP

Privacydiscussies in de media gaan meestal over het verzamelen van internetdata door bedrijven zoals Google en Facebook of overheidsinstellingen zoals de Amerikaanse NSA. Deze debatten zijn nuttig, maar gaan te veel over het nu en te weinig over de toekomst. Ondertussen worden er nieuwe technologieën ontwikkeld die veel meer kunnen dan de huidige. Deze technologieën laten niet alleen zien wat mensen lezen, kopen of doen, maar geven ook indicaties over het belangrijkste privédomein van de mens, namelijk wat hij denkt en voelt.

Zo ontwikkelde de sensortechnologie zich in de afgelopen jaren in sneltreinvaart. Supersensitieve sensoren kunnen in combinatie met andere technologieën kenmerken en veranderingen detecteren die onzichtbaar zijn voor het blote oog. Deze technologieën zijn bijvoorbeeld in staat om de kleinste veranderingen in bloedcirculatie, bloeddruk, hartslag, oogbewegingen, huidconditie en trillingen weer te geven. In sommige gevallen zelfs van een afstand, zonder dat je het merkt.

Ethische en morele kwesties

Het meten van de gesteldheid van personen wordt al geruime tijd in de medische sector toegepast. Een nieuwe trend is echter dat dit ook buiten deze sector plaatsvindt. Er zijn legio voorbeelden. Het bedrijf Seeing Machines ontwikkelde een systeem dat op basis van oog- en gezichtskenmerken ziet of de bestuurder van een vrachtwagen in slaap dreigt te vallen. Galvanic bracht een device op de markt om tijdens het gamen stress te meten. Samsung ontwikkelt een emotion-sensing applicatie die nagaat of een smartphonegebruiker boos, blij, angstig of verdrietig is.

Deze systemen zijn gericht op voordelen voor gebruikers, zoals meer veiligheid, een betere gezondheid of een groter comfort. Maar er kleven grote vraagstukken aan deze technologische ontwikkeling. Niet eerder waren systemen in staat zulke persoonlijke data te verzamelen. De data geven aanwijzingen over of je een ander mag, of je in de stemming bent voor een impulsaankoop en of je kwetsbaar bent. Ze geven aan wat je voelt en wat je denkt. De ethische en morele kwesties die spelen wanneer deze technologieën op grote schaal worden toegepast zijn ongekend.

Denk aan sociale implicaties. De samenleving is gebaseerd op een sociaal construct waarbij mensen niet van elkaar weten wat zij op een bepaald moment voelen of denken. Deze vrijheid in voelen en denken is de smeerolie in de dagelijkse sociale interacties. Wederzijdse beleefdheden zijn er om het maatschappelijk verkeer soepel te laten verlopen. Hoe zou het zijn als iemand in zijn Google Glass ziet dat een ander zijn verhaal oninteressant vindt, hem niet mag of seksueel aantrekkelijk vindt? Science fiction? Het is minder ver weg dan je denkt.

Wie is de eigenaar?

En wat zouden effecten zijn op de verhouding tussen burger en bestuur? Zou het zo ver kunnen komen dat mensen in publieke ruimten worden opgepakt om wat zij voelen of denken?

De Hebrew University of Jerusalem ontwikkelde een detector die op afstand ziet of iemand gestrest is en noemde als mogelijk toepassing het bewaken van de veiligheid op een vliegveld. Willen we dit? En meer praktisch gezien: wie is eigenaar van deze supersensitieve data? Wie heeft toegang tot de data? Wie bewaakt de kwaliteit, hoe worden de data geïnterpreteerd en waar en hoelang worden ze bewaard?

Een alomtegenwoordige transparantie van gevoelens en gedachten zal morgen geen realiteit zijn. De technologische ontwikkeling staat aan het begin, de data zijn nog onbetrouwbaar. Maar de ontwikkeling is er en we kunnen er zelf vorm aan geven. In projecten denken onderzoekers zoals wij over deze vraagstukken na. De discussie moet zich echter niet beperken tot wetenschappers. De politiek en de maatschappij moeten erbij betrokken zijn.

Tot op welke hoogte en onder welke omstandigheden geeft u uw belangrijkste privédomein – uw gevoelens en gedachten – prijs? Is de stelling ‘ik heb niets te verbergen’ geen grote misvatting?