Regiedebuut van Waltz: filmische ‘Rosenkavalier’

Bij de Nederlandse Opera maar ook aan de kleinere Vlaamse Opera wordt nagedacht over het winnen van nieuw publiek. Hoe trek je toeschouwers die wel naar de film en musical gaan, maar die opera mijden? Bijvoorbeeld door, zoals nu in Antwerpen gebeurt, een klinkende naam uit de film te vragen. Acteur Christoph Waltz maakt daar deze maand zijn debuut als operaregisseur in Richard Strauss’ opera Der Rosenkavalier.

De voorbeelden van acteurs die met succes hun geluk beproeven als regisseur zijn legio. Maar muziektheater is een ambacht apart, waarbij je als regisseur moet rekenen met muziek en een doorgaans primair vocaal getrainde cast. Of een 4,5 uur durende productie het vehikel is voor het verleiden van nieuw publiek is een andere vraag.

De explosieve kruisbestuiving tussen woord en klank maakt Der Rosenkavalier (1911) tot een van de geestigste opera’s ooit. Wat pleit voor de aanpak van Waltz, is dat hij merkbaar moeite heeft gedaan om het briljante libretto van Hugo von Hoffmansthal recht te doen in een filmisch precies uitgewerkte regie. Hoe stil men ook zit, de ogen spreken. De proleetfactor van de schuinsmarcherende Baron Ochs („Ik ben voor een joviale galanterie”) wordt weerspiegeld in blikken en gebaren, net als de melancholie van de ouder wordende Marschallin.

Een plaats voorin de zaal zou dus aan te bevelen zijn als je dan niet zo dicht op het op zich goed spelende orkest zat, dat vanuit de coulissen hinderlijk wordt bijversterkt. Chef Dmitri Jurowski leidt zijn eerste Strauss-opera en zou zeker nog bij dirigenten als Jansons en Harnoncourt in de leer kunnen over thema’s als „de sensualiteit van de wals” en het scheppen van helderheid in de Straussiaanse gelijktijdigheid van muzikale gebeurtenissen. Maar het orgiastisch gebrek aan nuance dat de Duitse pers hem na de première van zondagavond verweet, leek gisteren al bijgesteld.

De grootste troef van de voorstelling vormen de zangers. Vooral roldebutante Maria Bengtsson is met haar stralende hoogte en wat gevoileerde middenregister ijzersterk als de 36-jarige Marschallin, die haar schoonheid vergankelijk weet en haar 17-jarige minnaar Octavian met lede ogen ziet vallen voor de jonge Sophie. Ook die rollen zijn met Stella Doufexis en Christiane Karg prima bezet. Bas Albert Pesendorfer is met ronde stem en weke torso zeer geloofwaardig als Ochs – juist doordat diens smeerpijperij eerst vrij discreet wordt uitgebeeld.

Het decor van Annette Murschetz lijkt conservatief. Met pastels, hoge deuren, levende hondjes, papagaaien en zelfs een hemelbed oogt deze Rosenkavalier alsof de klok vijftig jaar is teruggezet. De hand van Waltz moet je daarbij vooral zoeken in de manier waarop hij een modieus aspect van de plot – de vloeibare grens tussen privé en publiek – tot uitgangspunt neemt, net als Ivo van Hove dat net deed in zijn Clemenza di Tito voor de Brusselse Munt. Vanaf de tweede akte zijn de achterwanden transparant, gluren overal bedienden en wordt ook het beoogde herdersuurtje van Ochs in de slotakte door allen bevoyeurd.

Goede scènes zijn er genoeg in deze Rosenkavalier. Maar een geslaagde productie? Daarvoor mist de regie voeling met de muziek en daarvoor doet de ensembleregie vooral in de slotakte nog te clichématig aan.

    • Mischa Spel