Likkebaardend lekkere beelden van Stefan Gross

Hij kwam uit het niets tevoorschijn, zo leek het. Afgelopen voorjaar vormde het werk van de onbekende Duitse kunstenaar Stefan Gross een van de hoogtepunten op de Twente Biënnale in Enschede. De zuurstokroze beelden van Gross waren blikvangers in de gruizige ruimte van het Balengebouw – en niet alleen om hun likkebaardend lekkere kleur. Het leek alsof Tatlins nooit gerealiseerde Monument voor de Derde Internationale (1919-1920) was overgespoten, vervolgens in een kolossale centrifuge gestopt en daarna was afgebakken in een magnetron.

Nu is het werk van Gross te zien op twee plekken in Nederland: in Vlissingen, waar een grote zaal van de Cultuurwerf om bijna te stikken zo vol staat met beelden, en in Delft, waar zijn werk gecombineerd wordt met de stedelijke panoramafoto’s van Hans Wilschut.

In Vlissingen krijg je de meest globale indruk van Gross’ werk, met werk vanaf 2010 tot nu. Gross, geboren in 1964 en opgeleid als glas-in-loodzetter en als schilder aan de kunstacademie in Saarbrücken, komt in 1997 met een DAAD-stipendium naar Nederland. Zijn doel: oranje schilderijen maken. Maar niemand zit op die schilderijen te wachten, merkt hij. Eigenlijk bij toeval ontdekt hij een procedé waarin hij zijn liefde voor drie dimensies, voor schilderkunst en lichtdoorlatend materiaal kan combineren. Dat procedé wordt in de kunst nog nauwelijks gebruikt, maar des te meer bij de productie van robots en kunstgewrichten.

In een steelpannetje smelt Gross melkwitte korreltjes van thermoplast, voegt er pigment aan toe, en giet de dikke plastic smurrie in mallen. Alles kan inspiratie voor zo’n mal zijn: van vliegtuigmotor tot varkensboerderij, van radiator tot kamerplant, van stekkerdoos tot olieplatform. Met verfbrander en strijkijzer ‘smeedt’ Gross de verschillende vormen aan elkaar. Het materiaal is zo kneedbaar, dat de beelden met gemak in de auto kunnen: breekt er iets af, dan plakt de kunstenaar er eenvoudig iets nieuws aan.

Zo ontstaan beelden die op veel manieren dubbelzinnig zijn. Ze verwijzen op fluorescerende wijze terug naar de kunstgeschiedenis. Ze lijken fragiel, maar zijn het niet. Ze zeggen iets over een toekomst die apocalyptisch lijkt, maar tegelijkertijd refereren ze aan vroeger. Aan machines die ooit werkten, hoog geavanceerde beschavingen die zijn verdwenen. Destructie en constructie zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden – en dat op een wonderschone manier.