Geschrokken

In dit jubileumjaar van Simon Carmiggelt verscheen onlangs geruisloos het boekje Carmiggelt over Cohen (bij Kelderuitgeverij). Het bevat zes nooit eerder gebundelde Kronkels van Carmiggelt. Ze gaan over Alexander Cohen (1864 – 1961), een Nederlandse journalist, die zijn woelige loopbaan begon als anarchist en afsloot als monarchist – van links naar rechts dus. Cohen was een kleurrijk, rebels man, Multatuli was zijn grote voorbeeld.

Er is iets vreemds met dit boekje.

Carmiggelt vond Cohen een briljante stilist en herlas regelmatig diens belangrijkste boeken, zoals In opstand en Van anarchist tot monarchist. Achterin het boekje bedankt samensteller Martin Smit zoon Frank Carmiggelt voor diens toestemming de columns af te drukken. Eerder was Frank ook al zo voorbeeldig coöperatief geweest bij de recente bundels Gedundrukt en Dwalen door Amsterdam met S. Carmiggelt.

Toch vraag ik me af of Simon Carmiggelt zelf zo gelukkig zou zijn geweest met dit boekje. Zijn zes columns zijn chronologisch afgedrukt. In de eerste column, uit 1954, is hij al laaiend enthousiast over Cohen, van wie hij net Van anarchist tot monarchist heeft gelezen: „Geschreven met een vuur dat nog altijd vlamt.”

In de volgende vier columns trekt Carmiggelt deze lijn stevig door, in 1959 schrijft hij zelfs: „Ik ben er zeker van dat er nog eens een uitgever zal komen, die het complete werk herdrukt. Want hier is een persoonlijkheid en een stilist van buitengewoon formaat aan het woord.” Hij herhaalt zijn lof ook in 1970.

Maar in 1979 verandert de situatie opeens. Carmiggelt publiceert de column Brief. Daarin vertelt hij dat hij een boze brief heeft gekregen van Sam de Jong, een gewezen anarchist. Carmiggelt drukt de brief integraal in zijn column af. Wat blijkt? De Jong was boos geworden over een recent interview in Het Parool waarin Carmiggelt Alexander Cohen weer eens had geprezen. De Jong was het helemaal niet eens met al die lof. Hij had de oude Cohen in Parijs opgezocht en vond het een nare man.

„Die bewondering voor de schrijver én de mens Alexander Cohen is bij mij finaal ingestort”, schreef hij. Toen hij iets sarcastisch had gezegd over de collaborateur Pétain, kreeg hij een scheldkanonnade van Cohen te verduren. „De politieke vrienden van Alexander Cohen in de bezettingstijd waren de meest beruchte Franse collaborateurs uit de Action Française (…).”

Carmiggelt was kennelijk onder de indruk van deze kritiek. Hij schrijft aan het einde van Brief: „Mijn bewondering voor Cohen is gebaseerd op de boeken die hij vóór de tweede wereldoorlog schreef. In die bewondering was Sam de Jong mijn medestander. Van de Cohen die wij bewonderden bleef later niks over. Maar die boeken bleven wél.”

Dit boekje doet enkele vragen rijzen. Waarom pleitte Carmiggelt in 1959 voor de herdruk van het complete werk als zijn bewondering alleen gebaseerd was op het vooroorlogse gedeelte? En waarom deed hij tot 1979 alsof hij Cohen onvoorwaardelijk bewonderde?

Het is nu alsof hij niet goed ingelicht was en geschrokken terugdeinst voor de kritiek van Sam de Jong – kritiek die later overigens bestreden werd door de journalist-schrijver Max Nord. Maar dat er met Cohen iets mis was, blijkt al uit dit zinnetje over hem in De geheime tuin (1962) van de onverdachte criticus H.A. Gomperts: „Brengt hij zijn politieke inzichten in het geding, dan krijgt men soms griezelige resultaten.”