Dineren is leuk, maar wat koop ik daar voor?

Politici maken te weinig tempo, zegt havenbaas Hans Smits. Daarmee doen ze „bv Nederland” geen goed. Terwijl juist slimme samenwerking nodig is.

Scheidend directeur Hans Smits van Havenbedrijf Rotterdam: „Voor de toekomst verwacht ik wel groei. Alleen niet meer zo uitbundig als in de jaren voor de crisis.” Foto Andreas Terlaak

Zijn laatste dagen als baas van de haven houdt Hans Smits kantoor in een vergaderzaaltje op de juridische afdeling in het hoofdkantoor van het Havenbedrijf Rotterdam. Het is er kaal. Op tafel staat een pot borrelnootjes – „Willen jullie wat?” – en aan de muur hangt een schilderij. Dat is het wel. Geen persoonlijke kantoorspulletjes. De bestuurskamer waar Smits negen jaar lang leiding gaf als president-directeur heeft hij al uitgeruimd. Om plaats te maken voor zijn opvolger, Allard Castelein.

Vanmiddag neemt Smits (63) afscheid van het Havenbedrijf. Niet met al te veel toeters en bellen – zijn vertrek wordt op eigen verzoek handig gecombineerd met de presentatie van de jaarcijfers en de Dag van de Haven, een jaarlijks netwerkevenement voor het havenwezen. „Na afloop is er een borreltje.”

Smits is een pragmaticus. Hij is als president-directeur naar eigen zeggen vooral bezig geweest voor „bv Nederland”. De Rotterdamse haven is goed voor 3,5 procent van het bruto binnenlands product. Kijken naar het grotere plaatje: dat zou iedereen die zich met het havenbedrijf bezighoudt, moeten doen, vindt hij.

Over kleinere Nederlandse havens, zegt hij dat ze „over hun schaduw heen moeten springen”. Vanwege hun terughoudendheid om met het grote Rotterdam samen te werken. Emotie, historie, traditie – dat gelooft hij allemaal wel. „Je bent in dienst van de Nederlandse economie.”

Over verantwoordelijke politici zegt hij dat ze „vooral veel overleggen, maar weinig tempo maken”. Vanwege de traagheid waarmee de gewenste samenwerking met de haven van Antwerpen van de grond komt. Smits wil graag samenwerken met Antwerpen, op het vlak van wat in havenjargon ‘natte bulk’ heet. Minerale olieproducten of chemische stoffen bijvoorbeeld.

Politici gaan u te langzaam?

„De premiers van Nederland en Vlaanderen hebben meermaals met elkaar gesproken over een samenwerking. Ik ben daar zelf ook twee keer bij geweest. Toen zijn er goede bedoelingen uitgesproken. Daarvan zeg ik: ‘Prima’. Maar het moet niet alleen bij mooie woorden blijven. Dan moet het ook leiden tot nieuwe initiatieven. Dat gebeurt dan niet. Ja, dan is zo’n diner leuk, maar niet erg zinvol. Misschien is dat wat nuchter Hollands, maar zo zit ik erin.”

Hoe gaat dat dan, tijdens zo’n diner?

„Dan kijken premier Rutte en zijn Vlaamse collega Kris Peeters naar hun ministers van Infrastructuur – allebei dames. En dan zeggen de heren: ‘We hebben er alle vertrouwen in’. En dat is het dan. Mijn ervaring is dat het vaak bij overleg blijft.”

Kunt u een voorbeeld geven?

„Vanuit het bedrijfsleven is er al jaren vraag naar extra pijpleidingen om olieproducten en chemische stoffen te vervoeren. Een deel van de ruwe olie die in Rotterdam aankomt, gaat naar Antwerpen. De leidingen die er nu liggen, stammen uit de jaren vijftig en zestig. Die nieuwe, gezamenlijke pijpleidingen kwamen er maar niet. Maar als Rotterdam en Antwerpen samen zeggen die pijpleidingen nodig te hebben, dan mag je verwachten dat bestuurders zeggen: ‘Fantastisch, doen!’ Door politieke discussies over de Hedwigepolder en de Westerschelde was samenwerking moeilijk.”

Waarom zegt u niet met uw Antwerpse collega: ‘Laat ze het lekker uitzoeken, we regelen het zelf wel’?

„Dat was lang heel moeilijk. De Vlaamse politiek heeft een zware stem in het Antwerpse havenbestuur. Het was ondenkbaar dat de directeur van het Antwerpse havenbedrijf zou zeggen: ‘Ik ga zakendoen met Smits’. Maar er komt verandering in. We hebben nu eindelijk gezamenlijk een onderzoek gedaan naar die pijpleidingen en we gaan nu samen de markt verkennen. Dat beschouw ik als een psychologische doorbraak.”

Toen Smits in 2005 aantrad, werd hij president-directeur van een van de grootste containerhavens van de wereld. Inmiddels is Rotterdam uit de top tien gezakt en staat het op nummer elf. „Dat was mooi, maar dat is voorbij.” In Europa is Rotterdam nog wel de grootste, gevolgd door Hamburg en Antwerpen.

Ondertussen rommelt het in de scheepvaart. De topman van Maersk, de grootste rederij ter wereld, waarschuwde in de zakenkrant Financial Times dat er een „nieuw era” aankomt, van minder groei en overcapaciteit. Concurrenten zoeken versterking bij elkaar. De drie grootste rederijen, samen goed voor 40 procent van de wereldmarkt, kondigden eerder dit jaar een alliantie aan. In hun nieuwe vaarschema’s halveren ze het aantal schepen dat Rotterdam aandoet.

Blijft er voor Rotterdam genoeg te doen?

„Er komen inderdaad minder schepen. Maar de schepen díe komen, zijn veel groter. Het volume blijft gelijk. Die schaalvergroting kan voor ons juist een voordeel zijn. Voor die hele grote schepen hebben wij nou juist de Tweede Maasvlakte gebouwd. Er zijn niet zo veel havens in Europa die zulke schepen aankunnen.”

„Er vindt een grote consolidatieslag plaats in de scheepvaart. De drie grootste rederijen vormen nu een alliantie, dat zal alleen maar meer worden. Vijftien jaar geleden zagen we dat ook in de luchtvaart gebeuren – traditioneel een voorloper op de scheepvaart. Er zullen havens zijn die ernorm van die consolidatie profiteren, maar ook havens die er op achteruit gaan. Er zullen winnaars en verliezers zijn.”

U zei vorig jaar dat de overslag dit jaar met 2 procent zou groeien. Dat is niet gelukt. Is dat een teleurstelling?

„ Je wilt natuurlijk altijd graag een plusje noteren. We hebben dit jaar geen groei gerealiseerd. Dat is inderdaad niet waar we aanvankelijk vanuit gingen. Maar ik zou het pas erg vinden als dingen die ik kan beïnvloeden niet lukken. De wereldeconomie heb ik niet in de hand. Voor de toekomst verwacht ik wel groei. Alleen niet meer zo uitbundig als in de jaren voor de crisis.”

Wat zijn de gevolgen voor de Tweede Maasvlakte die dit voorjaar openging, waardoor de capaciteit van de haven toeneemt?

„De prognose was, en is, dat die over ongeveer 25 jaar helemaal vol is.”

Is dat nog wel een realistische planning?

„We kunnen er flexibel mee omgaan. Zodra een klant daar bijvoorbeeld een chemische fabriek wil neerzetten, kunnen we de grond klaarmaken. We hebben ook geen hijgerige aandeelhouder die zegt: ‘Ben je over een jaar al vol?’ Wij zijn voor het nationale belang. We krijgen de tijd om onze investering te gelde te maken.”

Containergigant ECT heeft een rechtszaak aangespannen, omdat de Tweede Maasvlakte tot schadelijke overcapaciteit zou leiden. Vervelend om dat zo achter te laten?

„Ja. ECT is een belangrijke speler in de haven en een belangrijke klant. Ik begrijp de zorg, ook van andere bedrijven. Maar je moet het zo zien: nieuwe haveninfrastructuur zorgt in het begin altijd voor enige overcapaciteit. Dat kan niet anders. We hebben de Tweede Maasvlakte op de groei gebouwd én zodanig, dat we druktepieken in de toekomst goed aankunnen. Daar is ECT het niet mee eens. Verder wil ik niet inhoudelijk op de zaak ingaan zo lang die bij de rechter ligt.”

Voor u met uw nieuwe baan begint, neemt u eerst een maand vrij. Wat gaat u doen?

„Naar Zuid-Afrika, daar hebben we een huis. Gewoon even lekker relaxen.”

Kunt u dat wel, onthaasten?

„Nooit eerder nam ik een maand vrij. Het maximum was altijd twee weken. Het zal wennen zijn, dat geloof ik graag. Afkicken, heet dat geloof ik. Dat ga ik proberen.”

    • Teri van der Heijden
    • Annemarie Sterk