Mythische verwachtingen

Jonge Syriëstrijders vechten mee in de oorlog om hun eigen spirituele idealen terug te krijgen. Historicus Jaap Cohen waarschuwt hen met voorbeelden uit de geschiedenis.

Een bulldozer aan het werk bij een kolenmijn in Kentucky. 40 procent van de uitstoot van CO2 in de VS komt door kolen. Het is de meest vervuilende energiebron. Foto AFP

Robbin (18) uit Arnhem was tot voor kort een heel normale jongen: hij zat op school, voetbalde goed, was bezig met muziek. Dat veranderde toen hij zich anderhalf jaar geleden bekeerde tot de islam. Inmiddels zit hij alweer enkele maanden in Syrisch oorlogsgebied, waar hij zijn talenten in de strijd gooit voor de jihad. Zijn moeder is ten einde raad.

Het afgelopen jaar verschenen er veel berichten over Nederlandse jongens, vaak van allochtone afkomst, die plotseling hadden besloten om in Syrië mee te vechten in de strijd tegen het regime van president Assad. Vaak ging het om goed geïntegreerde jongens met een goede opleiding en baan. Over de precieze redenen tastte hun naaste omgeving meestal in het duister: tot voor kort wees weinig erop dat ze zo sterk zouden radicaliseren, laat staan dat ze vrijwillig hun leven te grabbel zouden gooien in een van de bloedigste oorlogen van deze eeuw.

De naar schatting honderd Nederlandse jongens zijn niet de enigen die door de strijd in Syrië worden aangetrokken: uit vrijwel elk westers land verlaten jonge strijders huis en haard voor de jihad. Ze zijn vervuld van een spirituele opdracht om hun steentje bij te dragen aan de Grote Strijd, met als doel het stichten van een paradijselijk islamitisch kalifaat.

Dit even ongrijpbare als ongebreidelde oorlogsenthousiasme doet denken aan de stemming onder veel Europese jongeren aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog. Neem een jonge idealist als de Fransman Charles Péguy (1873-1914). Hij was opgegroeid in een arm arbeidersgezin en ging als eerste van zijn familie naar een beroemde hogeschool in Parijs. Daar raakte hij bevangen door het socialisme, waarvoor hij zich met ziel en zaligheid inzette. Maar na een toespraak van de socialistische leider Jean Jaurès in 1899 was hij diep teleurgesteld: het enige waarover hij zijn leider hoorde praten, waren ‘verstandige’ compromissen en rationele overwegingen. De bezieling was ver te zoeken – en dat was juist waarnaar Péguy op zoek was. In het decennium dat volgde produceerde Péguy, altijd gehuld in een zwarte cape, samen met enkele jonge geestverwanten talrijke pamfletten waarin hij naar manieren zocht om de energie en vitaliteit uit het Franse onderbewustzijn weer naar boven te halen. Langzaam raakte hij ervan overtuigd dat er maar één oplossing was: alleen een grootse, heroïsche en gloedvolle strijd zou korte metten kunnen maken met de zouteloze cultuur van zijn tijd. Péguy verlangde naar niets anders dan naar oorlog.

Ook elders in Europa hadden jongeren het idee dat de westerse cultuur in een diepgewortelde crisis was vervallen: schrijver Filippo Marinetti met zijn Futuristisch Manifest (1909) in Italië, schilders Franz Marc en Vassily Kandinsky in Duitsland, journalist Jan Greshoff in Nederland, enzovoort. Allemaal signaleerden ze dat het Verlichtingsdenken van de achttiende eeuw gebaseerd was op koude, seculiere ideeën, op materialisme en individualisme – er was tot hun teleurstelling geen plaats meer voor het irrationele, voor spiritualiteit en gemeenschapszin. Naar die spirituele gevoelens waren de jongeren juist op zoek. Een oorlog zou voor een grote ontlading kunnen zorgen en mensen weer tot elkaar laten komen. ‘Het nieuwe leven van ijzer en de machine, het geronk van motorvoertuigen, de schittering van elektrische lichten, grommende propellers, ze hebben de ziel wakker gemaakt, die bezig was te stikken in de catacomben van de oude ratio en die is opgestegen tot het kruispunt van de hemelse en aardse paden’, schreef de jonge, Russische schilder Kazimir Malevich.

Al deze jongeren hadden een innerlijke crisis doorgemaakt. Ze waren teleurgesteld geraakt in de – in hun ogen – decadente maatschappij, ze zochten naar een nieuw soort spiritualiteit, en met hun bevlogen geschriften maakten ze de geesten rijp voor een grote, bevrijdende oorlog, die kon dienen als een nieuw begin.

Aleen religie kan het verval keren

Ook de Syriëgangers van tegenwoordig zijn teleurgesteld in de manier waarop de westerse cultuur zich heeft ontwikkeld. Dat blijkt bijvoorbeeld uit een honderdvijftig pagina’s tellend geschrift, getiteld De Banier, dat onlangs op internet werd geplaatst. Het is geen hoogstaande literatuur zoals het werk van hun begin-twintigste-eeuwse voorgangers, maar het is ook zeker geen brabbeltaal. Het is geschreven door goed opgeleide jongeren – woorden als ‘managementtools’ en ‘corporatocracy’ komen voorbij, evenals verwijzingen naar NRC-artikelen en buitenlandse wetenschappelijke literatuur. Eén van de anonieme opstellers was naar verluidt een succesvolle ondernemer in Delft.

De hoofdstukken van De Banier ademen frustratie. De auteurs voelen zich niet meer thuis in de consumptiemaatschappij, waar zij tot voor kort middenin stonden. ‘Dit kapitalistische systeem teert en parasiteert op de zwakten van de mens’, schrijven ze. Volgens hen danken we in Nederland de zwakkeren in onze samenleving af, laten we onze kinderen aborteren (of dumpen hen in kinderdagverblijven) en troosten we ons ondertussen met drank en drugs. Volgens de auteurs is het duidelijk: dit komt door ‘het morele verval waarin het Westen verdrinkt’. Emancipatie, rechten en vrijheden zijn in het Westen niets anders dan holle frasen, in tegenstelling tot het zuivere waardenstelsel van de Sharia. De Syrië-gangers vinden in hun persoonlijke variant van de islam dan ook een spiritueel fundament dat in de westerse samenleving verloren is gegaan. Al eens foto’s gezien van Talibaan die urineren op Amerikaanse lijken? Al eens gehoord over islamitische mullah’s die op grote schaal tienerjongens misbruikten? En welk volk heeft de Holocaust ook alweer uitgedacht? Volgens de Syrië-gangers kan alleen hun religie het verval keren, en ze geloven dat in Syrië de chance of a lifetime ligt: daar zal het einde der tijden aflopen, daar kunnen ze eensgezind strijden voor een gloedvol nieuw begin.

In 1914 kregen de oorlogsenthousiastelingen van destijds hun Grote Oorlog. Charles Péguy meldde zich natuurlijk aan voor de strijd. Op één van de eerste veldslagen kwam hij bij een roekeloze actie om het leven. Hij hoefde niet meer mee te maken dat de Eerste Wereldoorlog zich ontwikkelde tot één van de bloedigste en ellendigste oorlogen uit de geschiedenis, die uiteindelijk miljoenen slachtoffers maakte en enorme schuldenposten veroorzaakte in alle oorlogvoerende landen – er waren eigenlijk alleen verliezers. Zó hadden de overlevende oorlogsenthousiastelingen het nou ook weer niet bedoeld; gedesillusioneerd keerden de meesten zich van hun vroegere gedachtengoed af.

Nederlandse slachtoffers

Ook de oorlog in Syrië heeft inmiddels al tot een groot aantal slachtoffers geleid: de teller staat op meer dan 120.000, onder wie zeven Nederlandse ‘martelaren’. De voormalige Delftse zakenman en co-auteur van De Banier vond vorige maand de dood. Omdat een einde van de oorlog nog lang niet in zicht is – laat staan de stichting van een islamitisch paradijs – lijkt het waarschijnlijk dat er nog meer Nederlandse slachtoffers zullen volgen.

In 2014 is het honderd jaar geleden dat de Eerste Wereldoorlog begon. De media zullen bol staan van documentaires en reportages over de weerzinwekkende loopgraven, slagvelden en gifgasaanvallen van destijds, die alle mythische oorlogsverwachtingen bruut de kop indrukten. Hopelijk doen jongens als Robbin er hun voordeel mee.

Met dank aan Ewoud Kieft, van wie volgend jaar bij De Bezige Bij een boek over het Europese oorlogsenthousiasme van 1914 verschijnt.

    • Jaap Cohen