Opinie

    • Maarten Schinkel

Laat de lonen maar stijgen

Zwaarder dan in het begin van de jaren tachtig – zo wordt de huidige hardnekkige economische dip genoemd. Dat is waar: het totale verlies aan productie, zeker ten opzichte van het potentieel, is nu veel groter – en langduriger. Er zijn sowieso veel meer verschillen dan overeenkomsten tussen toen en nu. Dat geldt voor de oorzaak van de crisis én voor de aard ervan. En, belangrijk: het gaat ditmaal eigenlijk helemaal niet zo slecht met het grote bedrijfsleven.

Dat was toen wel anders. De winsten van bedrijven bereikten destijds een absoluut dieptepunt. De berekeningen verschillen erg, maar gezegd kan worden dat de bedrijfswinsten als percentage van het totale inkomen van de marktsector (alles behalve de overheid en zorg) bijna waren weggesmolten. Deze zogenoemde kapitaalinkomensquote, die normaal zo’n 20 procent was, zakte naar een procent of 5. En volgens sommige calculaties was het nóg minder.

Maar nu? Anno 2013 heeft de kapitaalinkomensquote vijf jaar lang eigenlijk geen krimp gegeven. Dit jaar is hij nog steeds 19 procent. Het grote bedrijfsleven heeft dan ook een enorme hoeveelheid geld in kas, en weet niet zo goed wat het daarmee in Nederland moet. Dan maar naar buiten: het spaaroverschot bij bedrijven is een van de hoofdverantwoordelijken voor het enorme overschot op de betalingsbalans van Nederland, van meer dan 10 procent van het bbp.

Eén van de oplossingen is om te kijken naar de tegenhanger van de kapitaalinkomensquote. Dat is de (veel bekendere) arbeidsinkomensquote – het aandeel van arbeid in het totale inkomen van de marktsector. Dat bedraagt dit jaar 81 procent. Kan die niet wat verder omhoog? Die vraag staat al snel gelijk aan ketterij: hebben we onze grote successen in het verleden niet te danken aan loonmatiging? En lag de loonmatiging in 2003-2004 in Duitsland niet ten grondslag aan de voortvarende groei van de Duitse economie van nu? Aan de andere kant: als onderconsumptie in Nederland een van de grote problemen is, als een te grote schuldenlast van gezinnen moet worden weggewerkt, en als grote bedrijven geld over hebben, dan lijkt een extra stijging van de lonen opeens een oplossing.

Kan dat? In hoge beleidskringen valt te beluisteren dat een zekere berusting daar snel nadert. De oplossing ligt in de zogenoemde loonruimte. Die loonruimte bestaat uit de prijsverhoging die ondernemingen voor hun producten doorvoeren, plus de stijging van de arbeidsproductiviteit. Als die worden samengetrokken en als loonsverhoging worden uitgekeerd, dan gaat de concurrentiepositie er niet op achteruit én krijgen werknemers meer in hun zak om te besteden. Er lijkt geen weerstand meer tegen te zijn op het hoogste niveau.

Een loongolf dus, die strikt gezien geen loongolf is. De vakbeweging zal het met gejuich binnenhalen. Ondernemersorganisaties leggen zich er bij neer. De beleidselite zegent het af. Binnenkort in dit theater.

    • Maarten Schinkel