Een kabinet dat succesvol van akkoord naar akkoord wankelt

Het was afgelopen nacht kwart voor één toen de Eerste Kamer aan een reeks stemmingen begon en op dat moment wist het kabinet-Rutte II het zeker: het woonakkoord is binnen. Later bleek dat de senaat met de kleinst mogelijke meerderheid (38-37) het kabinet steunt. Behalve de coalitiepartijen VVD en PvdA (inclusief de potentiële dissident Duivesteijn) waren dat de oppositiepartijen die zich de ‘constructieve drie’ noemen: D66, ChristenUnie en SGP, net zo min als de twee regeringspartners een alledaagse combine.

Omdat het kabinet elders met de ‘meest geliefde oppositiepartijen’ (dixit minister Dijsselbloem) ook overeenstemming bereikte over de pensioenen en aanverwante financiële maatregelen én het met de gemeenten toch eens werd over de decentralisatie van zorgtaken, werd het de dag van de akkoorden. Van successen voor het kabinet onder leiding van de VVD-premier die heeft voorspeld dat Nederland een toekomst tegemoet gaat van minderheidskabinetten die voor een meerderheid in het parlement echt moeten strijden.

Wat er van die voorspelling uitkomt, in het grillige politieke landschap dat de kiezers plegen te scheppen, staat te bezien. Zeker is wel dat Tweede en Eerste Kamer nu machtiger zijn dan ze lange tijd waren, toen Nederland nog coalities kenden die via dichtgetimmerde regeerakkoorden hun meerderheden dachten zeker te stellen. Uit oogpunt van wenselijk dualisme is die positie voor wat betreft de Tweede Kamer, de rechtstreeks gekozen volksvertegenwoordiging, alleen maar toe te juichen.

Maar hoe wankel de basis is waarop het kabinet rust, wees de stemverhouding van afgelopen nacht in de Eerste Kamer uit. De senaat zette trouwens maandag al een rem op het tempo waarmee het kabinet de ‘Noordvleugel’ wil vormen, de samenvoeging van Noord-Holland, Utrecht en Flevoland. Ook twee van de ‘constructieve drie’ (ChristenUnie en SGP) zien voorlopig weinig in deze eventueel af te dwingen fusie tussen provincies.

Akkoorden met Tweede Kamerfracties zijn mooi, maar bieden geen zekerheid. Zeker als ze politiek met elkaar worden verknoopt, dreigen complicaties. Het kabinet moet steeds maar afwachten of er in de Eerste Kamer, bijvoorbeeld bij de behandeling van het pensioenakkoord, niet opnieuw dissidente parlementariërs opstaan; één is al genoeg om de meerderheid in een minderheid te transformeren. Met twee verkiezingen in 2014 op komst (gemeenten, Europa) is dat bij impopulaire onderwerpen een verleidelijke machtspositie. Ook irritatie over thema’s die bij ChristenUnie en SGP extra gevoelig liggen, brengt het risico van politieke ongelukken met zich mee.

D66, ChristenUnie en SGP zullen niet telkens de leveranciers zijn van de stemmen die PvdA en VVD nodig hebben voor een meerderheid. Bovendien zijn de fracties in de Eerste Kamer, zomin als ze dat waren aan het regeerakkoord, niet gebonden aan de deals die aan ‘de overkant’, de Tweede Kamer, worden gesloten. Nog een (toekomstige) complicatie: de Provinciale Statenverkiezingen die in 2015 voor andere stemverhoudingen in de senaat zullen zorgen.

Morgen wordt het parlementaire jaar 2013 afgesloten. Het kabinet wankelt van akkoord naar akkoord. Maar een andere keuze heeft het in het politiek zo verdeelde Nederland eigenlijk niet.