Wat mogen we hopen?

Als je nagaat wat wij in Nederland elkaar allemaal te zeggen hebben, is het maar goed dat in het buitenland de overheidsdiensten de moeite nemen ons af te luisteren. Toch wordt dat afluisteren wereldwijd niet erg op prijs gesteld. Apple, Google, Facebook en Microsoft hebben er bezwaar tegen gemaakt; de onvolprezen Duitse schrijfster Juli Zeh is er met vele collega’s een campagne tegen begonnen. Uit alle signalen blijkt dat privacy weer in de mode is, dat de grens rondom het privéleven strakker wordt getrokken en dat burgers de zeggenschap terug willen over hun woorden.

Nu dat is geregeld, nu we de strijd voor onze privacy veilig kunnen overlaten aan Google en Facebook, wordt het tijd op iets anders te wijzen. Op het feit namelijk dat we in ons digitale bestaan niet het grootste gevaar lopen doordat anderen iets over ons weten, maar doordat ze met die kennis iets doen. Bedrijven en overheden verzamelen gegevens en leggen die gegevens vast in profielen waarin niet duidelijk is waar de consument eindigt en de burger begint; en vervolgens ondernemen ze actie.

Zolang ze je alleen advertenties sturen is een fout in hun analyse niet zo’n probleem. Je kijkt eens op YouTube naar Ariel in een komedie van Shakespeare en je krijgt nog weken later reclame voor wasmiddelen. Zoiets is bevreemdend, maar niet onoverkomelijk. Erger, schreef onderzoeker Evgeny Morozov in de krant, is het als de CIA in je gegevens duikt, je per ongeluk voor een terrorist aanziet en een drone op je afstuurt.

Zo speelde vorige week in Amerika een rechtszaak van een man die beweerde zijn baan te zijn kwijtgeraakt nadat hij verdacht werd van terrorisme. Via Google had hij geprobeerd te zoeken naar radiogestuurde vliegtuigen, maar Google had zijn zoekterm automatisch opgewaardeerd tot radiogestuurde bommen. Dat maakte de overheid nieuwsgierig en van het een kwam het ander. Zulk gevaar van foute interpretaties bestrijd je niet met een beroep op privacy, er is meer nodig voor onze bescherming in het informatietijdperk dan een afbakening van het privédomein alleen. En hier wordt het gesprek al gauw minder gezellig, omdat het nu over techniek lijkt te gaan, terwijl het in feite nog steeds draait om Kants klassieke vragen. Wat kunnen we weten? Wat moeten we doen? Wat mogen we hopen?

Wat moeten we doen? We moeten zelf de digitale sleutel van ons dossier in handen houden, zo simpel is het om te beginnen. Na het afluisterschandaal van de NSA wil iedereen het recht mee te bepalen over de opslag en inzage van gegevens. „Spionage is diefstal”, schrijven Juli Zeh en haar collega’s. Als je praktisch bent, zet je meteen een stap verder. Je wilt niet alleen worden beschermd tegen boeven en spionnen, je wilt gewoon zelf bovenop de schatkist met je medische, biometrische, financiële gegevens zitten. En iedereen die er bij wil, moet nederig toestemming vragen.

Wat kunnen we weten? Die andere grote vraag komt op als anderen aan de slag willen met je gegevens. Het is een theoretische vraag waarover niet zo gauw klokken zullen worden geluid, petities rondgestuurd en demonstratieve optochten gehouden, maar toch is het een van de dringendste problemen van deze tijd. De vraag beheerst het informatiebestaan ingrijpend.

Veel overheden en bedrijven verkeren in de waan dat gegevens verzamelen hetzelfde is als kennis vergaren. Hoe meer gegevens hoe beter. In schuren liggen bergen data hoog opgetast, zo hoog dat niemand er nog bij kan. „Ons vermogen om data te genereren overstijgt tegenwoordig verre ons vermogen om ze te interpreteren”, zegt DNA-onderzoeker Caroline Wright in British Medical Journal. Het menselijk genoom kun je namelijk snel en goedkoop uitpluizen, maar wat moet je met die berg aan gegevens? Er is zo weinig kennis voorhanden dat partijen al gauw in het wilde weg gaan interpreteren.

En dat in het wilde weg interpreteren – dat zich voordoet als verantwoord denken – is het grootste gevaar van het leven met informatie. „Onwillekeurig naar samenhang zoeken tussen wezenlijk onsamenhangende verschijnselen”, noemt internetwetenschapper Morozov het, en hij ziet er een psychiatrische stoornis in. Overheden en bedrijven frutselen data in elkaar tot een profiel of een app en ze concluderen er duchtig op los.

Nee, ik heb ditmaal niets te mopperen. Google waakt over de privacy: wat moeten we doen? De wetenschap waakt over de kennis: wat kunnen we weten? U en ik kunnen het met een gerust hart aan ze overlaten, althans, dat mogen we hopen.

Als de autoriteiten hun werk doen, hoeft u alleen maar op uzelf te passen en af en toe iets ondergronds te doen als analoog lezen. Want u leest mij nu wel, maar ik lees u niet. Dat is een machtspositie die ik, als ik u was, voorlopig niet zomaar op zou geven.

Maxim Februari is filosoof en schrijver. Deze column is wekelijks.

    • Maxim Februari